ECLI:NL:PHR:2000:AA4850
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ontvankelijkheid en noodzaak tot onteigening bij vervroegde onteigening
De zaak betreft een geschil over de vervroegde onteigening van een perceel grond in de gemeente Oirschot, waarbij Antonius Franciscus Henricus van de Sande eigenaar was. De gemeente besloot tot onteigening ten behoeve van een bestemmingsplan, en na een vonnis van de rechtbank werd de onteigening uitgesproken met een voorschot op schadeloosstelling. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. wilden in het onteigeningsgeding tussenkomen, maar werden door de rechtbank afgewezen wegens gebrek aan bewijs van eigendom.
In cassatie werd onderzocht of deze partijen ontvankelijk waren. De Hoge Raad concludeerde dat zij niet ontvankelijk zijn omdat zij geen partij waren in het geding tot vervroegde onteigening. Vervolgens behandelde de Hoge Raad de vraag of de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen redelijke twijfel bestond over de noodzaak tot onteigening, ondanks het bewijsaanbod dat zelfrealisatie mogelijk was. De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank terecht het bewijsaanbod heeft gepasseerd omdat de noodzaak tot onteigening een bestuurlijke belangenafweging is en niet door de rechter kan worden getoetst.
Ook werd geoordeeld dat de gemeente voldoende serieus had onderhandeld over een minnelijke verwerving, zoals vereist door art. 17 Onteigeningswet Pro. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. en tot verwerping van het cassatieberoep van Van de Sande.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. niet ontvankelijk en verwerpt het cassatieberoep van Van de Sande, waarmee de onteigening wordt bevestigd.