AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid onteigeningsbesluit gemeente Oirschot ondanks betwisting zelfrealisatie
De gemeente Oirschot besloot in 1996 tot onteigening van percelen eigendom van M.C. Wouters ten behoeve van het bestemmingsplan "PIROC-Strijpsche Kampen". Na goedkeuring door Gedeputeerde Staten werd de onteigening vervroegd uitgesproken door de rechtbank in 1999, waarbij ook J.M.H.C. Wouters als pachter werd toegelaten als tussenkomende partij. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. werden niet als partij toegelaten vanwege betwisting van hun eigendomsrechten.
In cassatie betoogden Wouters en J.M.H.C. Wouters dat zij samen met Rhee-Bra C.V. het bestemmingsplan zelf konden realiseren, waardoor onteigening niet nodig was. Zij boden bewijs aan ter onderbouwing hiervan. De rechtbank had echter geoordeeld dat nader feitenonderzoek naar zelfrealisatie niet mogelijk was vanwege de spoed van de procedure en dat de gemeente gemotiveerd had bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid was.
Verder werd het standpunt van de gemeente dat zij voldoende serieus had onderhandeld over minnelijke verwerving bevestigd, waarbij de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een onredelijk standpunt van de gemeente. De Hoge Raad bevestigt dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. niet ontvankelijk zijn in cassatie, omdat zij geen partij waren in het onteigeningsgeding. Tevens wordt het cassatieberoep van Wouters en J.M.H.C. Wouters verworpen omdat de rechterlijke toetsing van de noodzaak tot onteigening beperkt is tot rechtmatigheid en niet de bestuurlijke belangenafweging mag vervangen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de onteigening blijft in stand.
Conclusie
Nr. 1273 Mr. Ilsink
Derde Kamer B Conclusie inzake:
Onteigening 1. Martinus Cornelis
Wouters
Zitting, 20 oktober 1999 2. Johannes Martinus
Henricus Cornelis Wouters
3. Rhee-Bra C.V.
4. Bouwbedrijf Van Rhee
B.V.
tegen
de gemeente Oirschot
Edelhoogachtbaar College,
1. Feiten en procesverloop
1.1. Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft
de raad van de gemeente Oirschot (hierna: de gemeente)
besloten ingevolge het bepaalde bij art. 77, eerste
lid, onder 1°, van de Onteigeningswet (Ow.), ten
behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan
"PIROC-Strijpsche Kampen"<(1) Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de
gemeenteraad, op 19 december 1996 goedgekeurd door
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en op 4 mei 1998
onherroepelijk geworden.
>, ten name van de gemeente
onder meer te onteigenen de percelen, kadastraal bekend
gemeente Oirschot, sectie E, nrs. 1089 (grondplannr.
29), groot 04.75.00 ha, zijnde bouwland en 1103
(grondplannr. 32), groot 00.31.00 ha, zijnde eveneens
bouwland. Beide percelen stonden ten name van eiser tot
cassatie sub 1, Martinus Cornelis Wouters (hierna: M.C.
Wouters). Bij Koninklijk Besluit van 30 juni 1997, no.
97.003107, Stcrt. 18 juli 1997, nr. 135 (hierna: het
KB) is voormeld raadsbesluit inzoverre goedgekeurd.
<
?
>
1.2. Bij exploit van 19 oktober 1998 heeft de gemeente
M.C. Wouters doen dagvaarden voor de rechtbank te `s-
Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) en onder
meer gevorderd te harer name vervroegd de onteigening
uit te spreken van voormelde onroerende zaken.
1.3. Bij vonnis van 26 maart 1999, nr. 31235 / HA ZA
98-2549, heeft de rechtbank eiser tot cassatie sub 2
Johannes Martinus Henricus Cornelis Wouters (hierna:
J.M.H.C. Wouters), die pachter is van de te onteigenen
percelen, toegelaten als tussenkomende partij en het
verzoek van eiseres tot cassatie sub 3 de commanditaire
vennootschap Rhee-Bra C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en
van eiseres tot cassatie sub 4 de besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee
B.V. (hierna: Van Rhee B.V.), beherend vennote van
Rhee-Bra C.V., om in het onteigeningsgeding te mogen
tussenkomen, afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de
gevorderde onteigening uitgesproken; de voorschotten op
de schadeloosstelling voor M.C. Wouters en J.M.H.C.
Wouters bepaald op onderscheidenlijk ƒ 278.100,-- en
ƒ 127.955,70; en drie deskundigen en een rechter-
commissaris benoemd.
1.4. Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep
in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met
Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen.
1.5. De gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel
cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één
middel.
1.6. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter
zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen
toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van
13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd.
1.7. Heden neem ik ook mijn conclusie in de
soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1272
en 1274 tot en met 1276 zijn geregistreerd. Er zitten
geen wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover
er verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4,
vinden die hun verklaring in verschillen in de
feitelijke constellatie.
2. De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee
B.V. in het cassatieberoep
2.1. In haar schriftelijke toelichting van 9 juli 1999
heeft de gemeente betoogd dat Rhee-Bra C.V. en Van
Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden
ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoek om in het
onteigeningsgeding te mogen tussenkomen heeft
afgewezen, op de grond dat zij geen derde-
belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid,
Ow.
2.2. Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken
van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in het
onteigeningsgeding te mogen tussenkomen afgewezen, op
de grond dat zich in dit geval de situatie van
"tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3,
derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank
overwogen dat uit de overgelegde akte van levering d.d.
22 januari 1999 weliswaar blijkt dat M.C. Wouters aan
Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. een onverdeeld aandeel
heeft geleverd in de in het geding zijnde percelen,
doch dat van de inschrijving van de notariële akte in
de daartoe bestemde openbare registers, benodigd voor
de voltooiing van de voor de overdracht van onroerende
zaken vereiste levering, geen bewijs is overgelegd,
zodat, gelet op de betwisting door de gemeente, niet in
rechte vast staat dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V.
mede-eigenaar zijn geworden van de te onteigenen
percelen.
2.3. Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of
de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de
exceptie niet bij conclusie van antwoord is
voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is
voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond
van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde
is.<(2) Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde
druk (1989), § 143.
> In wezen betoogt de gemeente immers dat Rhee-Bra
C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het
onteigeningsgeding.
2.4. Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij
tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar,
rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening
met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert
gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de
schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat
geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de
consignatie van gelden.<(3) In de onderhavige zaak heeft de rechtbank consignatie
van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege
gelaten, omdat geen van de partijen heeft aangegeven
voor welk bedrag consignatie zou moeten plaatsvinden,
het belang van interveniënten zeer gering is en zij een
samenwerkingsovereenkomst hebben met M.C. Wouters.
>
2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt.
E.M.M. overwoog Uw Raad:
" (blz. 1692) O. dat de gemeente
ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch
tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de
onteigening heeft uitgesproken met vaststelling
van het bedrag der schadevergoeding en bepaling
dat dat bedrag zal worden geconsigneerd]
ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond,
dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem
beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te
onteigenen percelen is tegengesproken;
dat dit verweer moet worden verworpen;
(?)
dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de
bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om
[een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht
op het goed in het geding te mogen tusschenkomen]
te beletten in het geding tot onteigening te
blijven waken tegen krenking van de door hem
beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter
voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek
naar het bestaan dier betwiste rechten uit te
sluiten;
dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35
en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op
het te onteigenen goed is tegengesproken,
desondanks rangschikken onder de belanghebbenden
en toelaten tot uitoefening van zekere
bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de
Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der
deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting
heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij
pleidooi heeft ontwikkeld;
dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan
het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid
heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn
conclusieën de onteigening is uitgesproken van
perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en
waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een
naar zijn stellingen te laag bedrag;
dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie
open staat tegen dit vonnis, dat beslist over
rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te
zijn, en het voor de bescherming van zijn -
mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem
niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet
onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van
"partij" slechts schijnt te willen geven, behalve
aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan
het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het
goed niet wordt tegengesproken; dat toch uit die
woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in
strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet -
den kring van hen, voor wie de voorziening in
cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de
artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen,
niets wordt aangetroffen, dat wijst op een
beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze
wet partijen noemt"<(4) Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo
Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz.
deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie
tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss.
RUU (1984), blzz. 530-535.
>
2.6. Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als
bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige
geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de
vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre
kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden
ontleend voor de beantwoording van de vraag of Rhee-
Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding
tot vervroegde onteigening?
2.7. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet
deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor
de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de
mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het
onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de
rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele
mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening
voor de rechtbank<(5) Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst
wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep
open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996,
615, m. nt. MB.
> uitgeput. Op hetgeen verzoeksters tot
tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot
tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank
derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra
C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden
vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken
de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij
partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening.
2.8. De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf
Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden
ontvangen.
Beoordeling van het principaal cassatieberoep
3. Cassatiemiddel I
3.1. De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de
procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op
het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar
voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stelllingen
van M.C. Wouters blijkt dat
destijds geen sprake was van enige reële mogelijkheid
tot zelfrealisatie - hij spreekt in dit verband van een
inmiddels volledig gewijzigde situatie - zodat er in
zoverre alleszins noodzaak was tot onteigening en de
overheid aldus in redelijkheid
tot het onteigeningsbesluit kon komen. De rechtbank is
van oordeel dat de vraag of in het onteigeningsgeding
nog ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde
onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen
met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen
positief kan worden beantwoord indien er op basis van
de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over
de mogelijkheid voor de gedaagde partij om - samen met
anderen - de bestemming zelf te realiseren. In dat
geval is de gevorderde onteigening niet rechtmatig,
althans ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de
rechtbank.
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat M.C.
Wouters niet de noodzakelijke details geeft over de
exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie en de
praktische uitvoering daarvan en dat de gemeente
gemotiveerd heeft bestreden dat zelfrealisatie een
reële mogelijkheid is. Zij kan zich op basis hiervan in
feite geen goed oordeel vormen over de vraag of M.C.
Wouters in samenwerking met Rhee-Bra en met anderen
inderdaad technisch, financieel en praktisch tot
zelfrealisatie van de op grondeigendommen waar het om
gaat rustende bestemming in staat is. De rechtbank acht
een nader tijdrovend feitenonderzoek door middel van
bewijslevering op dit punt in strijd met de spoed die
in een onteigeningsprocedure betracht dient te worden.
Op grond van het voorafgaande beantwoordt de
rechtbank voormelde vraag ontkennend.
3.2. Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten
onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het
onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van
de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde
partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan
realiseren, alleen positief kan worden beantwoord
indien er op basis van de voorhanden gegevens geen
redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de
gedaagde partij - samen met anderen - zelf de
bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich
verzetten tegen feitenonderzoek door middel van
bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De
overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek
door middel van bewijslevering van de gestelde
mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de
spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient
te worden, is volgens eisers tot cassatie sub 1 en 2
zonder nadere redengeving onbegrijpelijk.
3.3. In hun conclusies van antwoord voor de rechtbank
d.d. 13 november 1998 hebben eisers tot cassatie sub 1
en 2 aangevoerd:
"6. M.C. Wouters is inmiddels met [Rhee-Bra C.V.]
op 3 juli 1998 (?) een overeenkomst aangegaan
waarbij partijen hebben uitgesproken dat zij samen
willen werken met als doel de eigendom van
gedaagde zo spoedig mogelijk te gaan ontwikkelen
en daartoe een exploitatie-overeenkomst aan te
gaan met de gemeenten Eindhoven c.q. Oirschot
en/of eventuele derden daaronder begrepen het
Ministerie van Defensie teneinde het
bestemmingsplan "Piroc-Strijpsche Kampen" van de
gemeente Oirschot/ Eindhoven zelf te realiseren.
Deze overeenkomst heeft [J.M.H.C.] Wouters in zijn
hoedanigheid van pachter mede ondertekend.) (?)
Rhee-Bra is uitermate in staat om met en in
opdracht van M.C. Wouters het bestemmingsplan te
realiseren. Immers Rhee-Bra heeft inmiddels, door
met verschillende eigenaren/belanghebbenden binnen
het plangebied gelijkluidende overeenkomsten te
sluiten, de beschikking over een zeer groot
grondoppervlak - circa 50 ha - binnen voornoemd
plan. Voorts beschikt Rhee-Bra over een
bouwbedrijf met voldoende technische en financiële
middelen om de door de overheid voorgestane
planuitvoering binnen de door de overheid gestelde
termijnen en binnen de door de overheid te stellen
voorwaarden en voorschriften te realiseren.
[J.M.H.C.] Wouters en M.C. Wouters zijn bereid om
binnen het door de overheid te stellen kader het
bestemmingsplan te realiseren. Er bestaat derhalve
voor de gemeente gelet op de mogelijkheid van
zelfrealisatie geen enkele noodzaak tot
onteigening.
7. Ten opzichte van het [KB van 30 juni 1997], is
er thans sprake van een volledig gewijzigde
situatie. Was er ten tijde van het nemen van
genoemd besluit nog geen sprake van dat de
betrokken eigenaren/belanghebbenden zelf in staat
waren tot zelfrealisatie, nu is dat wel het geval.
Thans beschikken zij door het sluiten van de
hiervoor genoemde overeenkomst over een
grondoppervlakte van circa 50 ha, zijnde 50% van
het plangebied. Zoals gezegd is een samenwerking
aangegaan met een deskundige ontwikkelaar/aannemer
die in staat is tot realisering van het
bestemmingsplan. [M.C. en J.M.H.C.] Wouters
conclude[ren] derhalve dat gegeven deze nieuwe
omstandigheden de toetsing van de
onteigeningstitel ten aanzien van de
zelfrealisatie door Uw Rechtbank voor de hand
ligt."
Voorts hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2 bewijs
aangeboden, in het bijzonder door middel van het horen
van getuigen, van hun stelling dat zij in staat zijn
het bestemmingsplan zelf te realiseren (zie onderdeel
12 van de conclusies van antwoord).
3.4. Het door eisers tot cassatie sub 1 en 2 voor het
eerst bij de rechtbank aangevoerde bezwaar dat er gelet
op de mogelijkheid tot zelfrealisatie geen noodzaak tot
onteigening is, noopt tot een nieuwe belangenafweging,
die de (onteigenings)rechter niet mag uitvoeren. Dan
zou de rechter immers op de stoel van het bestuur gaan
zitten. De noodzaak tot onteigening moet ook in het
onteigeningsgeding worden beoordeeld, maar dat kan
slechts aan de hand van op die noodzaak betrekking
hebbende bezwaren, die zozeer aan de rechtmatigheid van
de onteigening in de weg staan dat de belangenafweging,
die aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit
ten grondslag ligt, niet aan de orde komt. Het door
eisers tot cassatie sub 1 en 2 aangevoerde bezwaar
stelt die belangenafweging nu juist wel aan de orde.<(6) Zie onderdeel 3.8 van mijn conclusie voor HR 30
september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW (Willemsens-
Maassen en Burgfonds/Dordrecht).
>
3.5. Waarom heeft de rechtbank daar dan wel acht op
geslagen? Misschien heeft de rechtbank zich (mede)
laten leiden door de vonnissen van de rechtbank te
`s-Hertogenbosch van 12 mei 1989, NJ 1990, 490
(Helmond/Van Mullekom) en van de rechtbank te Arnhem
van 28 maart 1996, nr. ON 1995/1041 (Nijkerk/Van Hell
en Landman en Bouwfonds Woningbouw B.V.), waarvan ik de
relevante overwegingen heb geciteerd in de onderdelen
3.4 en 3.5 van mijn conclusie
voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW
(Willemsens-Maassen en Burgfonds/Dordrecht).
3.6. Indien de rechtbank, zoals in de onder 3.5
vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de
noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig
is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans
onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling
niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van)
het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende
belangenafweging, maar op een vaststelling van de
feiten.
3.7. De gemeente heeft, anders dan de gemeenten in de
onder 3.5 vermelde zaken, gemotiveerd bestreden dat
zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Mij dunkt dat
daarmee voor eisers tot cassatie sub 1 en 2 het doek
valt. Ik meen voor die opvatting voldoende
aanknopingspunten te kunnen vinden in rov. 3.3 van HR
NJ 1999, 411, waarin Uw Raad onderdeel 2 van het middel
heeft verworpen, zulks onder verwijzing naar, onder
meer, onderdeel 3.9 van mijn conclusie in die zaak.
Weliswaar hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2
aangeboden te bewijzen dat zelfrealisatie een reële
mogelijkheid is, maar dat aanbod kan niet tot iets
leiden. Immers, de vraag of zelfrealisatie een reële
mogelijkheid is, kan slechts worden beantwoord in het
kader van een bestuurlijke belangenafweging en niet van
een rechterlijke. De klacht dat de rechtbank het
bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, faalt dus
bij gebrek aan belang.
3.8. Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs
voorgesteld.
4. Cassatiemiddel II
4.1. Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder
meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling -
waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeente
onvoldoende serieus heeft onderhandeld. Voorts zou de
rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij -
tegen de stelling van het tegendeel in - tot het
oordeel is gekomen dat het standpunt van de gemeente
niet reeds a prima vista als onredelijk kan worden
aangemerkt.
4.2. Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 OwPro.,
waarin de eis wordt gesteld dat voor de
ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de
onteigenende partij de te onteigenen zaak bij
minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te
verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en
4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999,
24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den
Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat,
van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999,
411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens-
Maassen en Burgfonds/Dordrecht).
4.3. Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5:
"Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij
gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet
worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.
Daarbij dient die partij niet te werk te gaan
alsof dit voorschrift een te verwaarlozen
formaliteit is, in welk geval immers te kort zou
worden gedaan aan de strekking van het artikel dat
is gericht op het zo mogelijk vermijden van een
rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat
de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij
minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten
worden ondernomen in de periode tussen het
definitief worden van het besluit tot onteigening
(...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)."
4.4. In onderdeel 12 van hun conclusies van antwoord
voor de rechtbank hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2
bewijs aangeboden, in het bijzonder door middel van
getuigen, van hun stelling dat de gemeente in de
periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van
het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze
pogingen heeft ondernomen om te komen tot minnelijk
overleg.
4.5. De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in §
4.3 hiervoor geciteerde rechtsregels - de
correspondentie besproken die tussen de raadsman van de
gemeente enerzijds en de raadsman van eisers tot
cassatie sub 1 en 2 anderzijds in de periode tussen 21
juli en 23 oktober 1998 is gevoerd naar aanleiding van
de aanbiedingen die de raadsman van de gemeente bij
brieven van 21 juli 1998 aan de raadsman van eisers tot
cassatie sub 1 en 2 heeft gedaan om te trachten de
eigendom van de ter onteigening aangewezen percelen
vrij van pacht bij minnelijke overeenkomst te
verwerven.<(7) Deze correspondentie is door de raadsman van de
gemeente ter zitting van 26 januari 1999 in het geding
gebracht.
>
De rechtbank komt op basis daarvan tot de
conclusie dat:
"de gemeente in de relevante periode een aanbod
heeft gedaan en een redelijke tijd heeft gegeven
om daarop inhoudelijk in te gaan. Gesteld noch
gebleken is dat tevoren door
vertegenwoordigers/taxateurs van de gemeente een
bindend aanbod is gedaan. Tevens heeft de gemeente