Art. 362 SrArt. 167 SvArt. 9 SrArt. 24c SrArt. 27 lid 3 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid OM bij fiscale vervolging en veroordeelt wethouder voor ambtelijke corruptie
In deze zaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in de vervolging van verzoeker voor het opzettelijk onjuist invullen van belastingaangiften over 1992 en 1993. Het hof had het OM niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van de aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, waarbij onder meer de drempel van ƒ 12.000,- ontdoken belasting en een puntensysteem werden gehanteerd.
De procureur-generaal stelde cassatie in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat het OM niet in cassatie mocht afwijken van het beleid neergelegd in de richtlijnen zonder deugdelijk bewijs en motivering.
Daarnaast werd verzoeker veroordeeld voor het aannemen van giften als ambtenaar, wetende dat deze werden gedaan om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen, zonder dat het noodzakelijk was dat de beoogde handelingen daadwerkelijk waren gevolgd. Het hof achtte het bewijs voldoende concreet en de Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen die het bewijs en de strafoplegging betwistten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het OM en bevestigde de veroordeling van verzoeker tot een geldboete van ƒ 25.000,- subsidiair 130 dagen hechtenis wegens ambtelijke corruptie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het OM voor fiscale feiten en veroordeelt verzoeker tot een geldboete van ƒ 25.000,- subsidiair 130 dagen hechtenis wegens ambtelijke corruptie.
Conclusie
Nr. 112.611 Mr Machielse
Zitting: 7 december 1999 Conclusie inzake:
P.C.M. van Nijnatten
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij arrest van 27 oktober 1998 heeft het gerechtshof
te 's-Hertogenbosch het openbaar ministerie niet
ontvankelijk verklaard in zijn vervolging voor wat
betreft het aan verzoeker onder 5 en 6 tenlastegelegde.
Voorts heeft genoemd hof verzoeker - voorzover in
cassatie van belang - veroordeeld ter zake van de feiten
1 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair, telkens
opleverende "als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat
zij hem wordt gedaan teneinde hem te bewegen om, zonder
daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn
bediening iets te doen". Verzoeker is daarbij veroordeeld
tot een geldboete van ƒ 25.000,-, subsidiair 130 dagen
hechtenis.
2. De procureur-generaal bij genoemd hof heeft beroep in
cassatie ingesteld. Dit beroep is uitsluitend gericht
tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar
ministerie ten aanzien van het onder 5 en 6
tenlastegelegde. De procureur-generaal heeft hiertoe bij
schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
Voorts heeft, namens verzoeker, mr H.H.M. van Dijk,
advocaat te Uden, drie middelen van cassatie voorgesteld.
In zijn schriftuur heeft mr Van Dijk bovendien het mi
ddel
van de procureur-generaal tegengesproken.
3. Ten aanzien van de bespreking van het middel van de
procureur-generaal is het volgende van belang.
4.1. Aan verzoeker is onder 5 en 6 - kort samengevat -
<
?
>
het volgende tenlastegelegd. Onder 5 wordt aan verzoeker
verweten dat hij in de periode van 1 januari 1993 tot en
met 2 februari 1993 een aangiftebiljet voor de
Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over het
jaar 1992 opzettelijk onjuist zou hebben ingevuld. En wel
in die zin dat hij in werkelijkheid een hoger belastbaar
inkomen zou hebben dan dat hij had opgegeven. Onder 6
wordt aan verzoeker hetzelfde grondfeit verweten. Hier
betreft het evenwel het aangiftebiljet over het jaar 1993
dat in de periode van 25 februari 1994 tot en met 10
maart 1994 zou zijn ingevuld.
4.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting
van het hof van 13 oktober 1998 heeft verzoekers raadsman
aldaar onder meer het volgende verweer gevoerd. Ik citeer
uit 's hofs samenvatting van het verweer in de bestreden
uitspraak:
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn
strafvervolging.
De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie
ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde niet
ontvankelijk is in zijn vervolging, aangezien het
openbaar ministerie terzake deze feiten heeft gehandeld
in strijd met de aanmeldings-, transactie- en
vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en
douanedelicten, vastgesteld in de vergadering van de
procureurs-generaal d.d. 7 april 1993 en gepubliceerd in
de Staatscourant (1993, 75) (hierna: de Richtlijnen;
A.M.). De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat ingevolge
deze richtlijnen een particulier eerst voor
strafrechtelijke vervolging in aanmerking komt indien de
ontdoken belasting gedurende de onderzoeksperiode ƒ
12.000,-- of meer bedraagt en de zaak tenminste 3 punten
krijgt krachtens de bij de richtlijn behorende lijst
prioriteitsbepaling. De raadsman heeft (ten aanzien van
feit 5; A.M.) betoogd dat, nu verdachte in totaal een
bedrag van ƒ 12.810,-- niet aan de belasting heeft
opgegeven, hij daarover zeker niet eenzelfde bedrag aan
de belasting verschuldigd is en kan aan de cumulatief
gestelde voorwaarde van de vereiste punten niet meer
toegekomen worden.
4.2.2. Ten aanzien van feit 6 heeft verzoekers raadsman
blijkens zijn aan genoemd proces-verbaal van de
terechtzitting in appel gevoegde pleitnota in hetzelfde
verband ter zitting betoogd dat verzoeker over het jaar
1993 in werkelijkheid niet een hoger belastbaar inkomen
heeft gehad dan dat hij heeft opgegeven en zelfs een
teruggave heeft ontvangen van een bedrag van ƒ 22.408,-
van de belastingdienst. Ten bewijze hiervan heeft
verzoekers raadsman ter zitting een kopie van de
uitspraak op verzoekers bij de belastingen ingediende
bezwaarschrift 1993 overgelegd.
4.2.3. Blijkens het al genoemde proces-verbaal heeft de
procureur-generaal van het hof op dat verweer -
uitsluitend - aldus gereageerd, dat de Richtlijnen niet
zijn "geschreven voor gevallen waarin samenloop met
andere delicten aan de orde is".
4.2.4. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van het
niet-ontvankelijkeheidsverweer de volgende beslissing in:
Het hof deelt de zienswijze van de raadsman en zal
mitsdien het openbaar ministerie ten aanzien van het
onder 5 en 6 ten laste gelegde niet ontvankelijk
verklaren in zijn vervolging.
4.3. Voor de beoordeling van het middel is vooropgesteld
het volgende van belang:
- Het hiervoor weergegeven betoog van de raadsman ten
aanzien van feit 5 kan niet anders worden begrepen dan
dat de raadsman daarin heeft gesteld dat verzoeker over
19923 in totaal weliswaar een bedrag van ƒ 12.810,-- niet
aan de belasting heeft opgegeven maar dat het bedrag aan
te weinig geheven belasting of premiehij, gelet op het
belastingpercentage dat hij verzoeker over dat bedrag in
werkelijkheid aan belastingen verschuldigd is, beneden de
grens van ƒ 12.000,- blijft. Ingevolge Als gevolg hiervan
kan aan de cumulatief gestelde voorwaarde van de vereiste
punten niet meer toegekomen worden. Nu het hof zich
hiermee heeft verenigd dient in cassatie van de in dit
betoog vervatte feiten en omstandigheden uit te worden
gegaan.
- Nu het hof voorts het ten aanzien van feit 6 gevoerde
verweer in het midden heeft gelaten dat verzoeker over
het jaar 1993 een teruggave heeft ontvangen van een
bedrag van ƒ 22.408,- van de belastingdienst zal ook
hiervan in cassatie moeten worden uitgegaan.
5. In het middel van de procureur-generaal worden met
juistheid de volgende uitgangspunten in stelling
gebracht. Gelet op de tenlastgelegde periode onder 5 die
de aanvang van het jaar 1993 bestrijkt zijn ten aanzien
van dat feit de oude Richtlijnen van toepassing: te weten
de Herziene richtlijnen bij het aanbieden van een
transactie ingevolge art. 76 AWRPro (Stct. 1990, 243, datum
inwerkingtreding 1 januari 1991). Ten aanzien van het
onder 6 aan verzoeker verweten feit dat de periode van
begin 1994 bestrijkt zijn de huidige Richtlijnen van
toepassing, waarvan de datum van inwerkingtreding is
bepaald op 1 juni 1993 (Stct. 1993, 75).
6. De oude Richtlijnen die dus uitsluitend van belang
zijn voor feit 5 hebben - kort samengevat - als
uitgangspunt, dat in een zaak, waarin de te weinig
geheven belasting/premie beneden de grens van circa ƒ
50.000,- blijft, door het openbaar ministerie een
transactie wordt aangeboden. Uitzonderingen en
nuanceringen hierop zijn mogelijk en deze worden ook
uitdrukkelijk genoemd in de oude Richtlijnen. Dat
evenwel, zoals door de procureur-generaal ter zitting is
betoogd, de Richtlijnen niet zouden zijn "geschreven voor
gevallen waarin samenloop met andere delicten aan de orde
is", valt uit die oude Richtlijnen allerminst
destilleren. Weliswaar houden deze onder meer het
volgende in:
"Fiscale delicten, die in georganiseerd verband en/of met
een zekere listigheid zijn gepleegd, komen in beginsel,
ongeacht de hoogte van de te weinig geheven belasting
en/of premie, voor (verdere) strafrechtelijke vervolging
in aanmerking. Te denken valt hier aan gevallen, die zijn
gepleegd met (...) op een zodanige wijze, dat ook andere
(commune) delicten zijn gepleegd, zoals bedreiging,
omkoping (...) e.d." (par. II en par. III onder b. van
oude Richtlijnen).
maar hieruit volgt slechts dat, indien sprake zou zijn
van samenhangloop van een of meer fiscale delicten met
een of meer commune delicten, hiermede van een
uitzondering op de hoofdregel van de
vervolgingsrichtlijnenen sprake is. Hiervan isDat geval doet zich hier evenwel
thans geen sprakeniet voor. De tenlastegelegde commune
en fiscale delicten vertonen geen samenhang. In het
requisitoir in hoger beroep gevoerd is evenmin gewezen op
een uitzondering volgens de Richtlijnen van 1990, die
vervolging toch rechtvaardigt. Voorzover de procureur-
generaal zich dan ook in cassatie op deze
uitzonderingsgrond van de oude Richtlijnen beroept, faalt
het middel.
7. In aanmerking genomen dat voorts in cassatie vast
staat dat verzoeker ten aanzien van feit 5. in totaal een
bedrag van ƒ 12.810,-- niet aan de belasting heeft
opgegeven , de onjuiste stelling van de procureur-
generaal in aanmerking genomen, alsmede erop geleten dat
het uitgangspunt van de oude Richtlijnen inhoudt dat
beneden de grens van ƒ 50.000,- een transactie wordt
aangeboden, is 's hofs oordeel dat het openbaar
ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in
zijn vervolging ten aanzien van het onder 5
tenlastgelegde niet onbegrijpelijk. 's Hofs op feitelijke
waardering berustende honorering van het beroep op niet-
ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan in
cassatie niet verder worden getoetst.<(1) Vgl. HR NJ 1989, 575.
> Dat het hof op dit
punt kennelijk per abuis in het midden heeft gelaten dat
ten aanzien van dit feit de oude Richtlijnen van
toepassing zijn, is slordig, maar maakt dit niet anders.
Uitermate slordig vind ik dit overigens wel.
8. De huidige Richtlijnen welke dus van belang zijn voor
feit 6 houden - zoals in het middel van de procureur-
generaal met juistheid wordt aangevoerd - ten aanzien van
de algemene uitgangspunten (onder par. 3) en voor zover
van belang het volgende in:
"De aard van de richtlijnen sluit niet uit, dat
individuele gevallen van de richtlijnen kan worden
afgeweken. Hiertoe kan worden besloten indien er gezien
de ernst van de schendingen of de persoon van de
verdachte aanleiding toe bestaat. Zulke afwijkingen zijn
mogelijk zowel 'naar boven' als 'naar beneden'. Voorts
zijn de richtlijnen niet van toepassing op zaken die
voortkomen uit onderzoeken door multi-disciplinair
samengestelde teams".
Hiernaast houden de Richtlijnen (onder par. 7) ten
aanzien van de vervolging nog in:
"Een zaak komt in beginsel voor dagvaarding in aanmerking
indien een transactie gelet op de ernst van de
geconstateerde normschending en/of de persoon van de
verdachte een onvoldoende reactie vormt".
En voorts (onder par. 7.2):
"Een particulier komt eerst voor strafrechtelijke
vervolging in aanmerking, indien de ontdoken belasting
gedurende de onderzoeksperiode ƒ 12.000,- of meer
bedraagt en (onderstreping door mij, A.M.)de zaak ten