ECLI:NL:PHR:2000:AA4942
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Invloed van Wet Terugdringing Ziekteverzuim op bestaande suppletieregelingen in arbeidsovereenkomsten
De zaak betreft een geschil tussen de Vervoersbond FNV en een werkgever over de vraag of de werkgever na de invoering van de Wet Terugdringing Ziekteverzuim (WTZ) gehouden is de bestaande suppletieregeling, die een aanvulling tot 100% van het laatstverdiende nettoloon bij ziekte voorzag, na te leven.
De FNV stelt dat deze suppletieregeling stilzwijgend deel is gaan uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten en dat de werkgever deze niet eenzijdig mag wijzigen. De werkgever betwist dit en beroept zich subsidiar op de imprévision-regeling (art. 6:258 BW Pro), stellende dat de invoering van de WTZ een onvoorziene omstandigheid vormt die wijziging rechtvaardigt.
De rechtbank wees de vorderingen van de FNV af, stellende dat de werkgever de suppletieregeling mocht wijzigen vanwege de gewijzigde financiering en het beoogde effect van de WTZ om ziekteverzuim financieel te beïnvloeden. De Hoge Raad oordeelt echter dat de rechtbank een onjuiste maatstaf hanteerde en onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de wijziging redelijk en billijk zou zijn. Tevens is onvoldoende ingegaan op het argument dat de werkgever binnen het bedrijf een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen werknemers.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, waarbij ook de vraag of de suppletieregeling deel uitmaakt van de individuele arbeidsovereenkomsten nader moet worden onderzocht.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere behandeling en beslissing.