ECLI:NL:PHR:2000:AA4946
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen onderhoudsaanspraak kind jegens biologische vader zonder family life
In deze zaak stond centraal of een kind aanspraak kan maken op levensonderhoud van zijn biologische vader, ondanks dat het kind een andere man als juridische vader heeft. De vrouw, verzoekster in cassatie, was gehuwd geweest met een andere man die als juridische vader van haar dochter werd beschouwd. Zij vorderde dat de man die zij als biologische vader aanwees, zou bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.
De rechtbank en het hof wezen dit verzoek af, stellende dat het wettelijk stelsel in Boek 1 BW bepaalt dat een kind alleen jegens zijn juridische ouders een onderhoudsrecht heeft. Een uitzondering geldt slechts indien er sprake is van een familie- en gezinsleven tussen het kind en de biologische vader zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, hetgeen in deze zaak niet was gesteld of gebleken.
De vrouw ging in cassatie tegen deze beslissing. De Hoge Raad bevestigde het standpunt van het hof en de rechtbank, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De enkele verwekking van het kind door de biologische vader is onvoldoende om een onderhoudsrecht te ontlenen zonder dat er een daadwerkelijke gezinsrelatie bestaat. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en verwierp daarmee het beroep van de vrouw.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het wettelijk stelsel rond ouderlijk gezag en onderhoudsplicht en de restrictieve toepassing van artikel 8 EVRM Pro in de context van onderhoudsverplichtingen jegens biologische vaders zonder juridische erkenning.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat een kind geen onderhoudsrecht heeft jegens de biologische vader zonder gezinsleven conform art. 8 EVRM.