Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 3 Besluit proceskosten fiscale proceduresArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten fiscale proceduresArt. 1 Protocol bij het EVRMArt. 94 Grondwet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling proceskostenvergoeding bij samenhangende belastingzaken en toetsing aan EVRM
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het oordeel van het gerechtshof Den Haag inzake de proceskostenvergoeding bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen over 1987. Het hof had de navorderingsaanslag premieheffing vernietigd en oordeelde dat voor proceskostenvergoeding geen grond bestond vanwege samenhang met een andere zaak waarin reeds proceskosten waren toegekend.
De belanghebbende stelde dat het Besluit proceskosten fiscale procedures, dat samenhangende zaken als één zaak beschouwt en daardoor de vergoeding beperkt, onverbindend is omdat het leidt tot een lagere vergoeding dan de werkelijke kosten. Hij beriep zich daarbij op artikel 1 vanPro het Protocol bij het EVRM over onteigening van eigendom.
De Hoge Raad overwoog dat het Besluit in overeenstemming is met artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en dat de regeling van samenhangende zaken redelijk is omdat procedures in dergelijke zaken doorgaans weinig extra tijd kosten. De stelling dat het Besluit in strijd is met het EVRM werd verworpen omdat de regeling binnen het kader van de belastingprocedure blijft en geen onrechtmatige onteigening inhoudt.
De middelen van de belanghebbende werden ongegrond verklaard en het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof over de proceskostenvergoeding blijft in stand.
Conclusie
Nr. 34.580
Derde Kamer A
PH 1987
Parket, 1 oktober 1999
Mr Van den Berge
Conclusie inzake:
X
tegen
de staatssecretaris van Financiën
Edelhoogachtbaar College,
1. Feiten en procesverloop
1.1. Het cassatieberoep, ingesteld door de belanghebbende, is
gericht tegen de uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage (het
Hof), 1 juli 1998, nr. 91/03575, en betreft de aan de belanghebbende
over het jaar 1987 opgelegde navorderingsaanslag premieheffing
volksverzekeringen. Het Hof - dat deze navorderingsaanslag
vernietigde - oordeelde omtrent de proceskosten (o. 4):
"Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling
proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet
administratieve rechtspraak belastingzaken, zulks gelet op de
samenhang met de zaak nummer [91/3574] waarin reeds een
proceskostenveroordeling is uitgesproken."
1.2. In genoemde zaak 91/3574 - betreffende de aan de belanghebbende
over het jaar 1987 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting
- oordeelde het Hof omtrent de vergoeding van proceskosten:
"7. Proceskosten
In de omstandigheid dat het beroep - gedeeltelijk - gegrond is,
vindt het Hof aanleiding de Inspecteur op grond van artikel 5a,
eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak
belastingzaken, juncto het Besluit proceskosten fiscale
procedures, te veroordelen in de kosten die belanghebbende in
verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft
moeten maken. Deze kosten stelt het Hof vast op f 2045,
gespecificeerd als volgt: kosten van beroepsmatig verleende
rechtsbijstand groot 1 maal f 710 maal 2 is f 1420 plus reis-
en verblijfkosten en verletkosten van belanghebbende, welke het
Hof in goede justitie schat op f 40 respectievelijk 5 maal f
<
?
>
117 is f 585."
Bij arrest van 25 maart 1998 heeft Uw Raad deze navorderingsaanslag
inkomstenbelasting vernietigd (HR 25 maart 1998, nr. 30438, BNB
1998/209 m.nt. I.J.F.A. van Vijfeijken). De uitspraak van het Hof op
het punt van de proceskosten werd in stand gelaten.
1.3. Het cassatieberoep berust op twee middelen en richt zich tegen
's Hofs hiervóór in 1.1 weergegeven oordeel inzake de
proceskostenvergoeding.
1.4. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift in
cassatie ingediend.
2. De proceskostenvergoeding in belastingzaken
2.1. Op grond van artikel 5a Wet administratieve rechtspraak
belastingzaken (WARB) - welke regeling op de onderhavige zaak van
toepassing is - is het gerechtshof bij uitsluiting bevoegd een
partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband
met de behandeling van het beroep bij het gerechtshof redelijkerwijs
heeft moeten maken.
2.2. Toekenning van een proceskostenvergoeding vindt plaats aan de
hand van het Besluit proceskosten fiscale procedures (het Besluit),
waarbij het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig
verleende rechtsbijstand wordt vastgesteld overeenkomstig de in de
bijlage bij dat besluit opgenomen berekeningswijze. Dit vindt plaats
door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen en die
punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt en met de
toepasselijke wegingsfactoren.
2.3. Eén van de wegingsfactoren - in de bijlage bij het Besluit
aangeduid als 'C2' - betreft samenhangende zaken. Samenhangende
zaken worden voor de toekenning van een vergoeding wegens kosten van
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand beschouwd als
één zaak (artikel 3, lid 1 van het Besluit). Onder samenhangende
zaken worden verstaan: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door
een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op
vergelijkbare gronden ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand is
verleend door één of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde
samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken
nagenoeg identiek konden zijn (lid 2). In de Nota van Toelichting
bij het Besluit is opgenomen:
"Wegingsfactor C2 is bedoeld om de werking van artikel 3 vanPro
het besluit te verzachten. (?) Ingevolge artikel 3 omvatPro in
dergelijke samenhangende zaken een kostenveroordeling voor
rechtsbijstand slechts het bedrag dat in één zaak zou worden
toegekend. Voor de rechtsbijstandverlener maakt het immers
inhoudelijk niet uit of hij een procedure over één of bij
voorbeeld vier gelijksoortige besluiten voert. Aangezien vier
besluiten, en zeker vier cliënten, praktisch meer werk (?)
meebrengen dan één, is het redelijk dit in de
proceskostenvergoeding tot uitdrukking te brengen. Daartoe is
in de regeling vermenigvuldigingsfactor C2 opgenomen, die
meebrengt dat de rechtsbijstandvergoeding in de voor dat doel
als één zaak beschouwde samenhangende zaken, wordt
vermenigvuldigd met een factor 1,5 als het om vier of meer
samenhangende zaken gaat. Die - onvermijdelijk enigszins
arbitraire - grens van vier is ontleend aan de regeling van de
Centrale Raad van Beroep in ambtenarenzaken (?)."
2.4. In bijzondere omstandigheden kan van de onder 2.2 bedoelde
normering worden afgeweken (artikel 2, lid 3 van het Besluit).
2.5. Verzoeken om toekenning van een vergoeding voor proceskosten op
basis van werkelijke kosten werden door Uw Raad steevast afgewezen
(zie o.a. HR 21 juni 1995, BNB 1995/267 na conclusie Plv. P-G Van
Soest en m.nt. J.P. Scheltens; HR 21 juni 1995, BNB 1995/268 na
conclusie Plv. P-G Van Soest en m.nt. Scheltens; HR 4 oktober 1995,
BNB 1996/32 na conclusie Plv. P-G Van Soest en m.nt. P.J. Wattel)<(1) Een uitzonderingsgeval is HR 8 juli 1996, BNB 1996/370 na mijn conclusie en m.nt.
A.L.C. Simons. Uw Raad liet de beslissing in stand van Hof 's-Hertogenbosch om de
belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van werkelijke
kosten. Voor deze vergoeding was aanleiding, omdat de procedure - aldus dat hof -
volledig een gevolg was van een zeer ernstige vorm van onzorgvuldig handelen van de
inspecteur en zijn medewerkers.
>.
Zo werd in HR 19 juni 1996, BNB 1996/285, m.nt. Scheltens,
geoordeeld:
"4.2. Belanghebbende heeft in cassatie gesteld dat artikel
van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en het
Besluit proceskosten fiscale procedures niet van toepassing
zijn op de onderhavige zaak, omdat zulks strijd zou opleveren
met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, de
beginselen van behoorlijk bestuur, het BW, het EVRM en het
IVBPR (?).
4.3. Zou deze stelling door de Hoge Raad worden aanvaard, dan
zou dit betekenen dat het mogelijk wordt dat belanghebbende,
voor zover hij aanspraak maakt op een hoger bedrag dan met het
Besluit proceskosten fiscale procedures in overeenstemming is,
schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad vordert. Voor
het toekennen van een dergelijke schadevergoeding is echter in
een procedure voor de administratieve rechter in belastingzaken
geen plaats. Daarom kan het met voormelde stelling door
belanghebbende beoogde gevolg in de onderhavige procedure niet
worden bereikt en heeft belanghebbende bij die stelling in deze
procedure geen belang."
2.6. In zijn annotatie bij BNB 1996/32 vat Wattel de beslissing van
Uw Raad samen:
"(?) ook al zou de belanghebbende gelijk hebben, zijn verzoek
om volledige kostenvergoeding is hoe dan ook niet-ontvankelijk,
want elke kostenvergoeding boven die van het besluit is in
feite een schadevergoeding op grond van onrechtmatige
(overheids)daad en daarvoor is in de belastingprocedure 'geen
plaats'. De belanghebbende heeft dus geen belang bij zijn
beroep op fundamentele rechten."
2.7. Als bezwaar tegen deze benadering voert Wattel aan:
"dat de belanghebbende nog steeds de kans loopt dat
burgerlijke rechter oordeelt dat niet hij, maar de
belastingrechter de aangewezen rechter is om zich uit te laten
over het uitputtende karakter van de forfaitaire fiscale
kostenvergoedingsregeling en over de verenigbaarheid van die
uitputtendheid met direct werkend internationaal recht."
2.8. Zie voor een toetsing van het Besluit aan het EVRM de conclusie
van Van Soest voor HR21 juni 1995 BNB 1995/267, de noot van
Scheltens onder dat arrest (BNB 1995/268) en de noot van M.W.C.
Feteris onder EHRM 20 november 1995, BNB 1996/123.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Vooropgesteld moet worden dat de belanghebbende - terecht -
niet opkomt tegen 's Hofs oordeel dat de onderhavige zaak met de
hiervóór genoemde zaak 91/3574 samenhangt in de zin van artikel 3
van het Besluit<(2)2 Aan de stukken ontleen ik het volgende. De navorderingsaanslagen
inkomstenbelasting en premieheffing
volksverzekeringen dragen beiden als dagtekening: 18 oktober 1991. Tegen die
navorderingsaanslagen heeft de
belanghebbende bij brieven van 20 november 1991, aangevuld bij brieven van 14
januari 1993, beroep
ingesteld. Het beroep inzake de premieheffing had uitsluitend betrekking op
aangelegenheden waarbij feiten en
omstandigheden in geding waren, welke tevens van belang waren voor de heffing van
de inkomstenbelasting.
Zo merkte de belanghebbende in de aanvulling van het beroepschrift tegen de
navorderingsaanslag
premieheffing op: "Aangezien de feiten dezelfde zijn en de motivering hetzelfde
als omschreven is in mijn
brief van vandaag inzake (het beroep tegen de navorderingsaanslag
inkomstenbelasting) moge ik volstaan met
verwijzing naar deze brief waarvan ik een copie (...) insluit." Het Hof heeft
daarna in beide zaken tweemaal een
(gevoegde) mondelinge behandeling gehouden. In de inkomstenbelastingzaak deed het
Hof uitspraak op 16 juni
1994. De uitspraak ten aanzien van de premieheffing werd aangehouden totdat de
beslissing op het beroep
tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting onherroepelijk was komen vast te
staan en volgde, nadat Uw
Raad de uitspraak inzake de inkomstenbelasting en de navorderingsaanslag
inkomstenbelasting bij arrest van
25 maart 1998 had vernietigd (zie de uitspraak van het Hof, o. 3.1 e.v.).
>.
3.2. Middel 1 betoogt dat artikel 3 vanPro het Besluit onverbindend is,
omdat de besluitgever niet mag bepalen dat ten aanzien van een
samenhangende zaak niets wordt vergoed.
3.3. Uw Raad heeft het Besluit in het verleden al getoetst aan
artikel 5a WARB. Uit het hiervóór in 2.5 genoemde arrest BNB
1995/267 volgt,
"dat het Besluit proceskosten fiscale procedures (?)
overeenstemming is met tekst en strekking van artikel 5a van de