In deze zaak betrof het een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Dordrecht die een voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis had verleend op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz).
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het gevaar voor betrokkene bestond, ondanks dat betrokkene het gevaar betwistte. De geneeskundige verklaring en verklaringen van betrokkenen spraken in algemene termen over zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang, maar specificeerden niet concreet welk gevaar bestond. De rechtbank had niet voldoende onderzoek gedaan naar de aard van het gevaar en de proportionaliteit van de gedwongen opname.
Daarnaast werd de diagnose schizofrenie niet in cassatie getoetst omdat dit een feitelijke beoordeling betreft. De overschrijding van de beslissingstermijn van art. 9 lid 1 BopzPro leidde niet tot nietigheid van de beschikking. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling met een betere motivering van het gevaarscriterium.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de voorlopige machtiging wegens onvoldoende motivering van het gevaarscriterium en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.
Conclusie
R 99/201 HR Mr. Langemeijer
Parket, 14 januari 2000 Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
In deze Bopz-zaak wordt een voorlopige machtiging met motiveringsklachten bestreden. Daarnaast gaat het om de gevolgen van de overschrijding van de beslissingstermijn van art. 9 lid 1 BopzPro.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Op 3 september 1999 heeft de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht bij de rechtbank aldaar een vordering ingediend tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2 BopzPro). Daarbij heeft de officier van justitie een op 1 september 1999 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur Van Bennekom overgelegd.
1.2. De rechtbank heeft op 13 september 1999 betrokkene, diens raadsman, de sociaal psychiatrisch verpleegkundige en de vriendin van betrokkene gehoord. Op 20 september 1999 heeft de rechtbank telefonisch de vader van betrokkene gehoord. Op het verslag van dat verhoor heeft de raadsman bij fax d.d. 27 september 1999 gereageerd.
1.3. De rechtbank heeft de gevorderde machtiging bij beschikking van 1 oktober 1999 verleend. Betrokkene heeft tegen die beschikking tijdig cassatieberoep ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Onderdeel I van het cassatiemiddel bestrijdt primair de juistheid van de diagnose schizofrenie. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden: cassatie is uitsluitend mogelijk op de gronden, genoemd in art. 99 R.O. Of deze diagnose juist is zou een feitelijk onderzoek vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is. Daarnaast wordt in het middel betoogd dat de in het dossier aanwezige gegevens de vaststelling van schizofrenie niet kunnen dragen, terwijl de rechtbank evenmin aangeeft dat er sprake is van een andere geestesstoornis. Naar aanleiding van deze motiveringsklacht het volgende.
2.2. De rechtbank baseert haar oordeel dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens (schizofrenie) kennelijk op de geneeskundige verklaring, waarin deze diagnose met zoveel woorden wordt gesteld. Betrokkene voert aan dat schizofrenie een diagnose is welke eerst na afloop van een langdurige observatie of op basis van bekendheid met betrokkene over een periode van meerdere jaren kan en mag worden gesteld. Deze stelling is bij de rechtbank niet aangevoerd, zodat de rechtbank geen aanleiding had in de motivering hierop in te gaan. Overigens behelst deze stelling niet een voor de rechter bindende regel, noch een feit waarvan in cassatie kan worden uitgegaan. De geneeskundige verklaring maakt gewag van diverse symptomen waarop de eigen waarneming van de psychiater is gebaseerd. Voorts wordt in de geneeskundige verklaring en in het verhoor van betrokkene melding gemaakt van een Asecond opinion@ van psychiater M.M.J. van Veelen van het Academisch ziekenhuis Utrecht d.d. 10 juni 1999. Deze schrijft onder meer:
ADe familieanamnese is voor zover bekend met name belast voor affectieve stoornissen. Diagnostisch lijken de klachten van patiënt veeleer te passen bij schizofrenie van het paranoïde type, met name door de knik in de levenslijn en het verminderd functioneren. Affectieve symptomen lijken anderszins wel een grote rol te spelen. Patiënt zelf herkent duidelijke depressieve klachten doch kan zich niet verenigen met de mening dat lichamelijke klachten op een waan c.q. waanwaarneming berusten. Om deze reden en uit angst voor verlies van Aeigenheid@ en controle heeft patiënt bezwaar tegen het gebruik van antipsychotische medicatie. Wel zou hij voor antidepressieve medicatie voelen. Besproken werd met patiënt dat mijns inziens antipsychotica toch geïndiceerd zijn (Y).@ (blz. 3).
Hoewel Van Veelen (Alijken te passen@) zich minder stellig uitdrukt dan Van Bennekom, is tegen de achtergrond van deze informatie geenszins onbegrijpelijk dát en waarom de rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens (schizofrenie). Bij de mondelinge behandeling heeft betrokkene te kennen gegeven het met deze diagnose niet eens te zijn. Deze enkele betwisting noopte de rechtbank niet haar andersluidende beslissing nader te motiveren. Afgaand op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, is van de zijde van betrokkene niet om een (nieuwe) contra-expertise gevraagd. Onderdeel I faalt.
2.3. Onderdeel II heeft betrekking op het oordeel dat de stoornis van betrokkene hem Agevaar doet veroorzaken om zichzelf@. Het onderdeel bevat een motiveringsklacht: de rechtbank heeft ten onrechte niet verduidelijkt waarom het gevoerde verweer niet werd aanvaard. Daarnaast bevat het een rechtsklacht over een onjuiste toepassing van het gevaarscriterium van art. 2 WetPro Bopz (blz. 3 cassatieverzoekschrift).
2.4. De rechtbank heeft het gevaar aldus toegelicht:
ADe kans is zeer groot dat, indien betrokkene niet de noodzakelijk geachte behandeling ondergaat, hij niet is staat is op een adequate wijze zelfstandig zijn leven in te richten. Er is gevaar voor zelfverwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en zelfs suïcidegevaar, zoals in het afgelopen jaar en recenter B in het voorjaar B heeft plaatsgevonden.@
2.5. De klacht over de onjuiste toepassing van het gevaarscriterium is in vier subonderdelen uitgewerkt. De subonderdelen a, b en c bestrijden dat hier sprake is van gevaar voor betrokkene zelf. Van maatschappelijke teloorgang en zelfverwaarlozing zou geen sprake zijn. Integendeel heeft betrokkene, volgens het middel, zich in het verleden zelfstandig weten te handhaven, in zijn primaire levensbehoeften kunnen voorzien, had hij contacten en beschikte hij ten tijde van de behandeling van de vordering door de rechtbank over werk. Volgens betrokkene is een gedwongen opname disproportioneel.
2.6. Onder Agevaar@ begrijpt art. 1 BopzPro: gevaar voor een of meer personen B degene die het gevaar veroorzaakt daaronder begrepen B of voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Een gevaar voor zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang kan onder zodanig gevaar worden begrepen1. De vaststelling van dit gevaar en de beoordeling van de proportionaliteit zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De juistheid van de vaststelling en beoordeling vergt een onderzoek van feitelijke aard en kan daarom niet in cassatie worden getoetst. Blijft de vraag of de rechtbank in haar redengeving voldoende heeft aangeduid waaruit het gevaar bestaat. Een in algemene bewoordingen luidende motivering voldoet slechts aan de eis van de wet indien uit de inhoud van de stukken, daaronder begrepen het proces-verbaal van verhoor, zonder nadere redengeving begrijpelijk is wat de rechtbank voor ogen heeft gestaan. Waar het op aankomt is, of uit de stukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking zelf met een summiere motivering wordt volstaan2.
2.7. De rechtbank moest oordelen naar de actuele toestand. Betrokkene heeft in feitelijke aanleg met klem bestreden dat er sprake zou zijn van gevaar. Zoals het middel aangeeft, heeft betrokkene tegenover de rechtbank erop gewezen dat hij van zijn 17e tot zijn 25e zelfstandig heeft gewoond en een jaar bij zijn vader, dat hij, nu hij niet meer bij zijn vader terecht kan, in Utrecht wil gaan wonen, dat hij sinds kort werk heeft en heus wel vrienden heeft. In de faxbrief van de raadsman d.d. 27 september 1999 is nogmaals uitdrukkelijk betwist dat er sprake zou zijn van Agevaar@ in de zin van de Bopz. Op dit verweer is de rechtbank in haar beschikking niet verder ingegaan dan hierboven geciteerd. In de geneeskundige verklaring, de verklaring van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige en de verklaring van de vader van betrokkene komt weliswaar tot uitdrukking dat betrokkene niet langer bij zijn vader onderdak vindt, dat ziekte-inzicht ontbreekt, dat betrokkene behandeling (i.h.b. medicatie) nodig heeft en dat hij zich niet aan afspraken houdt, maar wordt op geen enkele wijze gepreciseerd voor welk gevaar nu eigenlijk moet worden gevreesd indien een voorlopige machtiging zou uitblijven. In de geneeskundige verklaring wordt in algemene bewoordingen gesproken over Amaatschappelijk verder afglijden@, Azwerven@ en Azelfverwaarlozing@, maar de gevolgen daarvan voor betrokkene worden niet aangegeven. Een zwervend bestaan op zichzelf rechtvaardigt nog geen machtiging tot opname, net zo min als iedere vorm van zelfverwaarlozing (m.b.t. dit laatste kan bijv. onderscheid worden gemaakt naar de mate waarin de verwaarlozing de gezondheid bedreigt)3.
2.8. Nu zou gezegd kunnen worden dat omtrent de ziekte schizofrenie al zoveel bekend is, dat de noodzaak van behandeling door medicatie (en de noodzaak van een opname om een regelmatige behandeling te verzekeren), maar weinig toelichting behoeft4. Toch zou ik in dit geval, waar de aanwezigheid van gevaar gemotiveerd is bestreden, een standaardmotivering als onvoldoende willen aanmerken. Betrokkene verbleef op vrijwilige basis in het ziekenhuis. De sociaal-psychiatrisch verpleegkundige heeft ter terechtzitting verklaard dat met betrokkene niet samen te werken viel en dat betrokkene voor de keus is gesteld: Aof wij behandelen hem, of hij moet weg@. Bij een dergelijk conflict is er voor de rechter in het algemeen al reden om extra kritisch te kijken naar de noodzaak van een rechterlijke machtiging. Daarbij komt dat de opsteller van de geneeskundige verklaring en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige zich gesteld zagen voor de moeilijkheid dat eerdere pogingen tot behandeling van de betrokkene waren mislukt en sedertdien Aweinig tot geen zicht op zijn functioneren bestaat@5. Waarschijnlijk is dit beperkte zicht op het functioneren van betrokkene buiten de kliniek er de oorzaak van, dat het dossier weinig of geen Asprekende feiten@ in de zin van bovengenoemde jurisprudentie bevat. In een dergelijk geval, wanneer de feiten in de gedingstukken (noodgedwongen) te weinig sprekend zijn, is het de taak van de rechtbank hiernaar onderzoek te doen en in de beschikking aan te geven waarom voor gevaar gevreesd moet worden. Dat is hier onvoldoende gebeurd.
2.9. Subonderdeel d bestrijdt dat er sprake is van suïcidegevaar. De geneeskundige verklaring vermeldt hierover (sub 5): ABetrokkene is af en toe suïcidaal als gevolg van desillusie en machteloosheid@. Het verslag van de s.p.v. vermeldt:
AIn het verleden heeft cliënt, als hij in het nauw kwam, al eerder geen andere opties dan suïcide-intenties gezien. Dit zal vermoedelijk in de toekomst weer gebeuren i.v.m. de grote lijdensdruk over hypochondrische wanen en isolement.@
Betrokkene heeft tijdens zijn verhoor deze suïcide-intentie verklaard als een Aschreeuw om aandacht@. Op zich was dus voor ieder duidelijk wat de rechtbank met het suïcidegevaar heeft bedoeld. De door de rechtbank gebezigde formulering wijst echter erop dat de rechtbank het suïcidegevaar niet als een zelfstandige grond voor het verlenen van de machtiging heeft gezien, maar slechts in combinatie met het gevaar van zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. In dit laatste opzicht schiet de motivering tekort, omdat uit de beschikking onvoldoende duidelijk wordt welk gevaar de rechtbank voor ogen heeft gestaan. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat onderdeel II slaagt.
2.10. Onderdeel III klaagt over het oordeel van de rechtbank dat Aonvoldoende sprake [is] van bereidheid tot het doen voortduren van het verblijf in een psychiatrische inrichting@ (zie art. 2, lid 3 onder a, Bopz). In het onderdeel wordt de juistheid van deze vaststelling betwist.
2.11. De beoordeling of een feitelijke vaststelling als deze juist is, vergt een onderzoek van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is. De klacht kan daarom niet tot cassatie leiden. Over de motivering wordt niet geklaagd. Ten overvloede merk ik op dat een bereidheid om het psychiatrisch ziekenhuis als slaapadres te benutten, niet voldoende is. Een weigering om mee te werken aan de door het ziekenhuis geboden behandeling die noodzakelijk is om het gevaar af te wenden kan grond opleveren voor het oordeel dat de nodige bereidheid ontbreekt6.
2.12. Onderdeel IV klaagt dat de beschikking van de rechtbank niet is gegeven binnen de termijn van drie weken na het instellen van de vordering. Bij gegrondbevinding van één of meer van de voorgaande onderdelen, behoeft deze klacht geen bespreking meer. Over deze klacht is het volgende op te merken. De vordering is op 3 september 1999 ingediend. Ingevolge art. 9, eerste lid, Bopz had de rechtbank uiterlijk op 24 september 1999 haar beschikking moeten geven: betrokkene verbleef ten tijde van de rechtbankbeslissing in het psychiatrisch ziekenhuis. De termijn is dus overschreden. De termijnoverschrijding houdt kennelijk verband met de omstandigheid dat de rechtbank, zoals aangekondigd, de vader van betrokkene op 20 september 1999 telefonisch heeft gehoord. Diens verklaring is voor commentaar toegestuurd aan de raadsman van betrokkene, die op 27 september 1999 heeft gereageerd.
2.13. Op het overschrijden van de beslissingstermijn van art. 9 lid 1 BopzPro stelt de wet
niet de sanctie van nietigheid van de beschikking. Aan een patiënt op wie hoofdstuk II Bopz toepassing heeft gevonden, d.w.z. aan een onvrijwillig opgenomen patiënt, verleent de geneesheer-directeur ontslag in de gevallen, bedoeld in art. 48 lid 1 BopzPro, tenzij de voortzetting van het verblijf als vrijwillig patiënt gewenst is en de betrokkene blijk geeft van bereidheid daartoe. Van een inbewaringstelling (art. 20 e.v. Bopz) blijkt uit het dossier niet; kennelijk verbleef betrokkene vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis7. De problematiek, welke zich heeft voorgedaan rond de overschrijding van de beslissingstermijn van art. 17 BopzPro (de machtiging tot voortgezet verblijf; is bij termijnoverschrijding sprake van vrijwillig of onvrijwillig verblijf?) kan in deze zaak buiten beschouwing blijven8.
2.14. Betrokkene stelt thans dat de sanctie op de termijnoverschrijding dient te zijn dat de tijd, gelegen tussen enerzijds het moment waarop volgens de wet uiterlijk beslist had moeten worden (24 september 1999) en anderzijds de datum van de beschikking (1 oktober 1996) of, beter, de datum waarop de beslissing ter kennis van zijn raadsman werd gebracht (7 oktober 1999), in mindering gebracht behoort te worden op de maximale geldigheidsduur van de machtiging.
2.15. De voorlopige machtiging heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden na dagtekening, onverminderd het bepaalde in de art. 48 enPro 49 Wet Bopz (zie art. 10 lid 4 WetPro Bopz, zoals gewijzigd bij de wet van 10 april 1997, Stb. 271). De rechtbank heeft de geldigheidsduur op de volle zes maanden bepaald. Nu in HR 23 februari 1996, NJ 1996, 618 m.nt. JdB (rov. 3.5.2) ten aanzien van de verwante regel in art. 17 BopzPro is uitgemaakt dat de rechter bij de bepaling van de geldigheidsduur rekening kán houden met het aantal dagen waarmee de termijn overschreden is, maar daartoe niet verplicht is, en de rechter dit oordeel niet ongevraagd behoeft te motiveren, kan in de onderhavige zaak dezelfde koers worden gevaren. Onderdeel IV leidt in deze opvatting niet tot cassatie.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Dordrecht ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Laurs (red.), Handboek Opneming en verblijf, aant. 3.4.3 en 3.4.4 op art. 2 BopzPro (Dijkers).
2 Vgl. HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221, m.nt. JdB; Handboek opneming en verblijf, aant. 2.5.4. bij art. 78 BopzPro (Dijkers).
3 In bijv. HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221, was het gevaar van zelfverwaarlozing plastisch omschreven. NB: in de geneeskundige verklaring, punt 5, wordt ook gesproken van overlast voor anderen, maar dáárop is de beschikking van de rechtbank niet gegrond.
4 Ook het Handboek Opneming en verblijf, aant. 3.4.3, wijst op de bijzondere positie van schizofrenie.
5 Aldus het Averslag periode opname Wijnkoperstraat@ van de s.p.v.
6 HR 7 april 1995, NJ 1995, 616; HR 6 februari 1998, NJ 1998, 302; HR 27 november 1998, nr. R 98/142 (n.g.).
7 De vrijwilligheid van het verblijf volgt ook uit blz. 7 van het cassatieverzoekschrift.
8 HR 16 december 1994, NJ 1995, 302, m.nt. JdB; HR 23 februari 1996, NJ 1996, 618, m.nt. JdB; HR 24 mei 1996, nr. 8830 R 96/37 (n.g.). Zie ook: HR 4 november 1994, NJ 1995, 126 (rov. 3.7); Handboek opneming en verblijf, aant. 2.5 bij art. 9 BopzPro en aant. 5 bij art. 17 (Dijkers).