ECLI:NL:PHR:2000:AA5166
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding termijn bij terugvordering bijstand
In deze zaak heeft de gemeente bijstand teruggevorderd van verzoeker op grond van de Algemene bijstandswet (oud). De gemeente stelde dat verzoeker en zijn partner vanaf 1 juli 1993 een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor ten onrechte bijstand was verstrekt. De kantonrechter en rechtbank wezen de vordering van de gemeente toe en bevestigden dat sprake was van samenwoning.
Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van de rechtbank, maar deed dit te laat. De Hoge Raad oordeelde dat de cassatietermijn van twee maanden, die gold voor de procedure, was overschreden omdat het verzoekschrift pas op 23 april 1999 werd ingediend terwijl de beschikking dateerde van 15 februari 1999.
Verzoekers argumenten dat de termijn verlengd had moeten worden op grond van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en dat er sprake was van verschoonbare dwaling, werden verworpen. De Hoge Raad benadrukte dat het IVBPR niet vereist dat beroepstermijnen voor iedereen gelijk zijn en dat verzoeker voldoende tijd had om cassatieberoep in te stellen.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van lagere rechters over de terugvordering van bijstand wegens samenwoning.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.