ECLI:NL:PHR:2000:AA5166

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/084HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a ABW (oud)Art. 6:11 AwbArt. 14 IVBPRArt. 426 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding termijn bij terugvordering bijstand

In deze zaak heeft de gemeente bijstand teruggevorderd van verzoeker op grond van de Algemene bijstandswet (oud). De gemeente stelde dat verzoeker en zijn partner vanaf 1 juli 1993 een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor ten onrechte bijstand was verstrekt. De kantonrechter en rechtbank wezen de vordering van de gemeente toe en bevestigden dat sprake was van samenwoning.

Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van de rechtbank, maar deed dit te laat. De Hoge Raad oordeelde dat de cassatietermijn van twee maanden, die gold voor de procedure, was overschreden omdat het verzoekschrift pas op 23 april 1999 werd ingediend terwijl de beschikking dateerde van 15 februari 1999.

Verzoekers argumenten dat de termijn verlengd had moeten worden op grond van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en dat er sprake was van verschoonbare dwaling, werden verworpen. De Hoge Raad benadrukte dat het IVBPR niet vereist dat beroepstermijnen voor iedereen gelijk zijn en dat verzoeker voldoende tijd had om cassatieberoep in te stellen.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van lagere rechters over de terugvordering van bijstand wegens samenwoning.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Conclusie

Parket 7 januari 2000 Conclusie Mr Spier
inzake
[verzoeker]
tegen
de gemeente 's-Gravenhage
(hierna: de Gemeente)
Edelhoogachtbaar College,
1. Feiten en procesverloop
1. In deze procedure heeft de Gemeente bijstand van (onder meer) [verzoeker] teruggevorderd op de voet van art. 59a leden 2 en 3 (oud) ABW. Aan deze vordering heeft zij het volgende ten grondslag gelegd:
a. over de periode 1 februari 1993 tot 20 juni 1994 heeft zij bijstand verstrekt aan [partner van verzoeker]. Aanvankelijk in de vorm van een uitkering krachtens de RWW voor een gezin, mede ten behoeve van [de toenmalige man van de partner van verzoeker] (kennelijk de toenmalige man van [de partner van verzoeker]); later naar de norm van een eenouder-gezin;
b. op 28 juni 1994 deelde [partner van verzoeker] aan de Gemeente mee dat zij met ingang van 1 juli 1993 een gezamenlijke huishouding voerde met [verzoeker];
c. in de periode gelegen tussen 1 juli 1993 en 20 juni 1994 heeft [partner van verzoeker] ten onrechte een bijstandsuitkering ten belope van ƒ 26.014,30 bruto ontvangen.
1.2 [Verzoeker] heeft verweer gevoerd. Hij heeft onder meer de samenwoning bestreden.
1.3 De Kantonrechter heeft de vordering toegewezen.
1.4 [Verzoeker] is tegen deze beschikking in beroep gekomen onder aanvoering van vier grieven. Geen van deze grieven heeft betrekking op de grondslag van de vordering.
1.5 Na een tussenvonnis te hebben gewezen en - omtrent de al dan niet samenwoning - getuigen te hebben gehoord, heeft de Rechtbank op 15 februari 1999 de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
1.6 [Verzoeker] heeft beroep in cassatie ingesteld, door tussenkomst van de advocaat die hem ook in feitelijke aanleg heeft bijgestaan. De Gemeente is in cassatie niet verschenen. Zij heeft Uw Raad bij brief doen weten te menen dat de beschikking van 23 oktober 1998, RvdW 1998, 189 ook in casu van toepassing is.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 [Verzoeker] kan niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen omdat het te laat is ingesteld. Het inleidend verzoekschrift is ter griffie van het kantongerecht ingekomen op 29 april 1996. Daarom zijn de procedureregels van toepassing die golden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997. Dat brengt mee dat de cassatietermijn twee maanden is, te rekenen vanaf de dagtekening van de bestreden beschikking.1
2.2 De bestreden beschikking is gedateerd 15 februari 1999. Het verzoekschrift waarbij cassatieberoep wordt ingesteld is op 23 april 1999 binnengekomen bij de Hoge Raad. Dat is te laat.2
2.3 Mr Pherai heeft, blijkens een op 8 november 1999 ingekomen toelichting, de dreigende niet-ontvankelijkheid onderkend. Betoogd wordt:
a. dat beslissend is de datum van verzending van de beschikking;
b. dat, doordat de termijn met tien dagen is verkort, niet meer gesproken zou kunnen worden van "een goede procesorde". In dat verband wordt art. 14 IVBPR Pro van stal gehaald;
c. voorts dat "de rechtsverhouding tussen partijen, te weten bestuursorgaan versus burger" tot het maken van een uitzondering op de hierboven onder 2.1 en 2.2 genoemde regel zou nopen;
d. ten slotte wordt een beroep gedaan op de billijkheid omdat sprake zou zijn van "een wirwar van regels" die de termijnoverschrijding verschoonbaar zou maken.
2.4 De onder a vertolkte opvatting is, als hierboven onder 2.1 gezegd, niet juist.
2.5 Art. 14 IVBPR Pro brengt niet mee dat de beroepstermijnen in de praktijk voor een ieder gelijk moeten zijn. Een dergelijke regel zou leiden tot grote rechtsonzekerheid. Hij zou bijvoorbeeld meebrengen dat de termijn zou moeten worden verlengd wanneer de behandelend advocaat ziek zou zijn. Reeds daarop stuit het beroep af. Art. 14 IVBPR Pro ziet veeleer op procedurele gelijkheid, in het algemeen commentaar aangeduid als "proper administration of justice".3 Te bedenken valt dat de termijn die voor [verzoeker] resteerde om cassatieberoep in te stellen alleszins toereikend was zodat niet kan worden gezegd dat hij van dat recht feitelijk is verstoken.
2.6 Hetgeen onder 2.3 c is aangevoerd, strandt op de gronden vermeld in HR 28 mei 1999, NJ 1999, 613 vermeld in samenhang met hetgeen in de aan de beschikking voorafgaande conclusie onder 3.3 - 3.12 is opgemerkt.
2.7 Het beroep op verschoonbare dwaling (sub d) kan [verzoeker] evenmin baten op de gronden vermeld in HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 63 rov. 3.3.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
HR 20 februari 1998, NJ 1999, 561 HJS en de aan deze beschikking voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer.
2 Daarbij kan ik de door de annotator Snijders in zijn noot onder HR 20 februari 1998, NJ 1999, 561 onder 2 aangeroerde kwestie in het midden laten nu deze - zoals hij zelf aangeeft - geen inhoudelijke consequenties heeft. Ik merk slechts op dat hij er m.i. aan voorbij ziet dat de Hoge Raad art. 429n Rv. niet rechtstreeks toepasselijk oordeelt.
3 S&J 74-Ib (1992) blz. 1149. Daartoe behoort "equal access" (idem). Daarvan is stellig sprake. Moennasing heeft ruim de tijd gehad cassatieberoep in te stellen. Deze tijd was voor hem even lang als voor ieder ander in een vergelijkbare situatie.