ECLI:NL:PHR:2000:AA5255

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
122991
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 SvArt. 97 SvArt. 2 Politiewet 1993
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid binnentreden en bewijsgebruik in cocaïnezaak

In deze zaak stond centraal of het binnentreden van de politie in de woning van verdachte onrechtmatig was en of het daarop gebaseerde bewijs toelaatbaar was. Op 29 januari 1998 betraden twee politiemannen via een openstaande deur de woning nadat zij een man met een steekwond aantroffen die verklaarde dat hij in die woning was neergestoken. Tijdens het onderzoek troffen zij een zakje met een op cocaïne gelijkende stof aan.

Verdachte voerde in hoger beroep aan dat het binnentreden onrechtmatig was omdat de politie niet handelde op grond van artikel 96 Sv Pro maar op de Politiewet, en dat het bewijs daarom niet gebruikt mocht worden. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de deur openstond en de bewoner geen prijs stelde op privacy, en dat de politie mocht aannemen dat de neergestoken man geen bewoner was. Tevens wees het hof erop dat de norm die mogelijk was geschonden niet bedoeld was om verdachte te beschermen.

De Hoge Raad bevestigde deze beoordeling en verwierp het cassatieberoep. Ook het bewijs voor het opzet van verdachte werd door het hof voldoende geacht, ondanks de suggestie dat een onbekende derde de cocaïne had achtergelaten. De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en bevestigde de straf van acht maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot acht maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne werd bevestigd.

Conclusie

Nr. 112.991 Mr Machielse
Zitting 18 januari 2000 Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft verdachte op 24 februari 1999 voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld en mr M.G. Hoogerwerf, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof het beroep op onrechtmatige vergaring van bewijsmateriaal ontoereikend heeft verworpen.
Het gerechtshof heeft het gevoerde verweer in zijn arrest als volgt weergegeven en verworpen:
De raadsvrouw heeft ter zitting het verweer gevoerd, dat -zakelijk weergegeven- de politiemannen die cliënt in de deuropening van [adres] aantroffen, onrechtmatig zijn binnengetreden in die woning. Weshalve hetgeen in beslag is genomen in het kader van de daarop nadien gevolgde spoedhuiszoeking eveneens onrechtmatig is verkregen.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Ter terechtzitting is het volgende komen vast te staan. Op 29 januari 1998 omstreeks 22.29 uur zijn twee politiemannen naar de [adres] in [woonplaats] gegaan, omdat bewoners van de Puntstraat uit een pand aan de [adres] gegil hadden gehoord en even later een ruit hadden horen breken. Toen zij ter plaatse kwamen, zagen zij een man, die aanvankelijk in de deuropening van de woning [adres] zat, hinkend naar hen toekomen. Zij zagen voorts, dat uit het Iinkerbovenbeen van de man door de broek heen een bloedvlek was te zien. Desgevraagd gaf de man op te zijn: [verdachte] en te wonen [adres 2] te [woonplaats]. Deze man verklaarde hun, dat hij zojuist in de woning [adres] was neergestoken terwijl hij op bezoek was, dat hij om aandacht te trekken hard had gegild en een voorwerp door een ruit had gegooid. De dader had hierop hem alleen gelaten en was weggelopen. De politiemannen hebben vervolgens via de openstaande deur die woning betreden en daarin een onderzoek ingesteld. In een kamer zagen zij vervolgens een zakje met een op cocaïne gelijkende stof en een plastic hoesje waarvan het hun ambtshalve bekend was, dat zo'n hoesje behoorde bij een elektronische weegschaal, die vaak wordt gebruikt om verdovende middelen af te wegen.
Daarna is er ex artikel 97 van Pro het Wetboek van Strafvordering een spoed huiszoeking in die woning gehouden.
Het hof verwerpt het verweer.
Nu de deur van die woning was opengelaten en de bewoner kennelijk geen prijs meer stelde op zijn privacy, kan niet worden gezegd, dat het binnentreden (waartoe de politiemannen op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Strafvordering bevoegd waren) tegen de wil van de rechthebbende is geschied. Het verweer kan voorts ook daarom niet slagen, omdat op het moment dat de politiemannen die woning binnentraden, zij mochten menen, dat de neergestoken man - thans verdachte- daar niet woonde. De - eventueel toen - geschonden norm beoogde dus niet hem te beschermen.
Deze verwerping zou volgens de toelichting op het middel onbegrijpelijk zijn omdat de politieambtenaren volgens het door hen opgemaakte proces-verbaal de woning zouden zijn binnengetreden op grond van de Politiewet in plaats van op grond van art.96 Sv Pro. De steller van het middel gaat in de toelichting in op betekenis van art.96 Sv Pro en doet onder meer een beroep op “Blok en Bezier” en “Noyon” zonder nadere vindplaats. Ook zoekt de steller van het middel steun bij Noyon/Langemeijer/ Remmelink, wederom zonder nadere aanduiding.1
3.2. De enkele vermelding van de Politiewet in een proces-verbaal als grondslag voor bevoegdheidsuitoefening sluit niet uit dat het uitoefenen van die bevoegdheid toch treffender kan worden gebaseerd op een bepaling in het Wetboek van strafvordering. De algemene taakstelling, vervat in art.2 Politiewet Pro 1993, omvat ook opsporingstaken. Ook een onderzoek op grond van art.96 Sv Pro is dus onder art.2 Politiewet Pro te brengen.2 De tegenstelling die de steller van het middel oproept -art.96 Sv Pro en art.2 Politiewet Pro sluiten elkaar uit- bestaat daarom niet.
Maar wel moet aan de steller van het middel worden toegegeven dat art.96 Sv Pro hier niet van toepassing lijkt omdat er van een ‘volgen’ van een voorwerp, of van daarmee gelijk te stellen omstandigheden, geen sprake lijkt te zijn geweest.3 De vermelding door het hof van art.96 Sv Pro lijkt ook mij niet juist. Dat wil niet zeggen dat het betreden van de woning dús onrechtmatig zou zijn geweest. Art.2 Politiewet Pro biedt immers ook een kader voor optreden van politieambtenaren dat erop is gericht om, zonder gebruikmaking van dwangmiddelen, te bezien of verder optreden in het kader van de uitoefening van de politietaak geboden is.4 Voorts biedt het een directe basis voor optreden ter hulpverlening. Wat in het proces-verbaal is gerelateerd over de redenen voor de ambtenaren via de openstaande deur de woning te betreden -kijken naar eventuele andere slachtoffers- past dus wel binnen de taken van de politie.
3.3. Maar wat er ook zij van het voorgaande, het hof heeft ook als grond voor verwerping aangevoerd dat de eventueel geschonden norm niet beoogde een belang van verdachte, die had gezegd slechts op bezoek te zijn geweest in de [adres], te beschermen. Die grond draagt op zichzelf reeds de verwerping van het verweer.5 Zelfs als achteraf zou komen vast te staan dat verdachte niét enkel bezoeker was zou dat niet leiden tot onrechtmatigheid van de bewijsvergaring.6
Het eerste middel faalt.
4.1. Het tweede middel stelt dat het bewijs voor het opzet onvoldoende is. In de toelichting wijst de steller van het middel op de overwegingen betreffende de strafmaat, waaruit blijkt dat volgens het hof verdachte als bezoeker in het pand [adres] verbleef. Ook wordt in de toelichting nog verwezen naar de pleitnota in hoger beroep, waarin wordt gezinspeeld op de mogelijkheid dat een zekere [betrokkene], die nooit is gevonden, de cocaïne daar heeft achtergelaten.
4.2. Het gerechtshof heeft voor het bewijs gebezigd verklaringen van personen, die inhouden dat verdachte - herkend van een politiefoto - woonde op het adres [adres] (bewijsmiddelen nr.5 en 6). Verder heeft het hof voor het bewijs gebezigd de verklaring van een voormalig vriendin van verdachte, inhoudende dat verdachte naar eigen zeggen in verdovende middelen handelde en dat hij na maart 1997 op een adres in de [adres] is terechtgekomen. Het bewijs voor het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne heeft het hof daarmee geleverd kunnen achten.7 Een vage suggestie dat een onbekende derde de cocaïne daar heeft achtergelaten kon door het hof als te schimmig terzijde worden gelaten en genereerde geen extra responsieplicht.8
Dat het hof in de straftoemeting heeft overwogen dat verdachte (slechts) bezoeker van het adres [adres] was getuigt niet van een bijzondere nauwgezetheid bij de compositie van het arrest, maar raakt het bewijs van het opzet overigens niet.
Het tweede middel faalt en kan worden verworpen op de voet van art.101a RO.
5. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Hoogstwaarschijnlijk is hier bedoeld Melai, Wetboek van strafvordering (losbl.), aant.4 bij art.96.
2 HR 8 juni 1999, nr. 110.678.
3 Vgl. voor de situaties waarop art.96 Sv Pro betrekking heeft Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 2e druk, p.427.
4 HR 6 januari 1998, nr. 106.297.
5 HR NJ 1991,343; HR NJ 1993,30; HR NJ 1997,309; HR 21 september 1999, nr. 111.306.
6 HR NJ 1994,512.
7 HR NJ 1987,493; HR NJ 1993,676; HR 3 november 1998, nr. 109.289; HR NJ 1999,203.
8 HR NJ 1999,152. Ik citeer uit de conclusie van A-G Van Dorst: “Want in wezen gaat het hier om het in onze rechtszalen vaker, zij het in verhulde vorm, vertelde verhaal dat een kaboutertje het telastegelegde feit moet hebben begaan. Dat in casu de naam van deze sprookjesfiguur is genoemd () doet niet af aan de mate van onwaarschijnlijkheid van het aangevoerde.” Vgl. nog HR NJ 1991,97; HR 22 september 1987, NJB 1987,330; HR 2 november 1999, nr. 109.344.