ECLI:NL:PHR:2000:AA5255
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid binnentreden en bewijsgebruik in cocaïnezaak
In deze zaak stond centraal of het binnentreden van de politie in de woning van verdachte onrechtmatig was en of het daarop gebaseerde bewijs toelaatbaar was. Op 29 januari 1998 betraden twee politiemannen via een openstaande deur de woning nadat zij een man met een steekwond aantroffen die verklaarde dat hij in die woning was neergestoken. Tijdens het onderzoek troffen zij een zakje met een op cocaïne gelijkende stof aan.
Verdachte voerde in hoger beroep aan dat het binnentreden onrechtmatig was omdat de politie niet handelde op grond van artikel 96 Sv Pro maar op de Politiewet, en dat het bewijs daarom niet gebruikt mocht worden. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de deur openstond en de bewoner geen prijs stelde op privacy, en dat de politie mocht aannemen dat de neergestoken man geen bewoner was. Tevens wees het hof erop dat de norm die mogelijk was geschonden niet bedoeld was om verdachte te beschermen.
De Hoge Raad bevestigde deze beoordeling en verwierp het cassatieberoep. Ook het bewijs voor het opzet van verdachte werd door het hof voldoende geacht, ondanks de suggestie dat een onbekende derde de cocaïne had achtergelaten. De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en bevestigde de straf van acht maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot acht maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne werd bevestigd.