ECLI:NL:PHR:2000:AA5323
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid bij betalingsonmacht door belastingfraude en activa-overdracht
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en de bestuurder van een vennootschap die door belastingfraude in betalingsonmacht is geraakt. De werknemer vorderde betaling van een ontbindingsvergoeding die de vennootschap niet kon voldoen. De kantonrechter kende de vergoeding toe, maar de bestuurder werd niet persoonlijk aansprakelijk gesteld door het hof, dat oordeelde dat de betalingsonmacht niet aan de bestuurder persoonlijk kon worden toegerekend.
De Hoge Raad bevestigt dat belastingfraude niet zonder meer leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder jegens werknemers. Het hof had gemotiveerd vastgesteld dat de vennootschap in betalingsonmacht verkeerde en dat de bestuurder niet persoonlijk verwijtbaar was voor die situatie. Ook was de verkoop van activa aan een derde noodzakelijk om crediteuren, waaronder de fiscus en de bank, te voldoen.
De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen van de werknemer, die stelde dat het hof onjuiste motieven had gebruikt en onvoldoende bewijs had gewogen. De rechtbank en het hof hadden terecht geoordeeld dat de bestuurder niet aansprakelijk was, mede omdat de vennootschap geen betalingsonwil vertoonde en externe financiering niet haalbaar was. De vordering van de werknemer kon niet op de bestuurder worden verhaald.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk is voor de ontbindingsvergoeding aan de werknemer wegens betalingsonmacht van de vennootschap door belastingfraude.