ECLI:NL:PHR:2000:AA5345

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
113088
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 365a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling schending redelijke termijn bij medeplichtigheid aan diefstal

Verdachte is door het gerechtshof veroordeeld wegens medeplichtigheid aan diefstal met braak en kreeg een gevangenisstraf van twee weken opgelegd. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld, waarbij werd aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting was overschreden omdat er 22 maanden zaten tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling ter zitting.

Het hof oordeelde dat hoewel de termijn lang was, deze niet zo lang was dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden. De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende gemotiveerd had geoordeeld en geen belangenafweging had gemaakt over de sanctie bij termijnoverschrijding.

De Hoge Raad overweegt dat de termijn van 22 maanden in appel niet per definitie een schending van het recht op een redelijke termijn inhoudt en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat niet-ontvankelijkheid een sanctie is die alleen in de ernstigste gevallen wordt toegepast. De verdediging had niet ingezet op strafvermindering, waardoor het hof niet hoefde te motiveren in welke mate termijnoverschrijding in de straf was verrekend.

De Hoge Raad concludeert dat er geen schending van de redelijke termijn is en verwerpt het cassatiemiddel, waarmee de uitspraak van het hof in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt de veroordeling wegens medeplichtigheid aan diefstal.

Conclusie

Mr Jörg
Nr 113088 Conclusie inzake:
Zitting 8 februari 2000 [verzoeker=verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij arrest van 24 november 1998 is verzoeker wegens medeplichtigheid aan diefstal met braak door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, terwijl hem voorts een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, complementair aan de toewijzing van de civiele vordering.
2. Namens verzoeker hebben mrs Hamer en Kengen een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie.
3. Het middel verwijt het hof het verweer dat de redelijke termijn na het instellen van appèl is geschonden onjuist - of onvoldoende gemotiveerd te hebben verworpen.
4. Het hof heeft het desbetreffende verweer als volgt in zijn arrest verwoord:
“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging dient te worden verklaard wegens schending van art. 6 EVRM Pro en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Verdachte is bij vonnis van de politierechter te Utrecht van 8 januari 1997 veroordeeld en heeft tegen dit vonnis op 16 januari 1997 hoger beroep ingesteld.
Nu er tussen de instellen van het hoger beroep en de behandeling daarvan ter terechtzitting van 10 november 1998 een termijn van 22 maanden is gelegen, is de redelijke termijn waarbinnen het hoger beroep dient te worden behandeld overschreden.”
5. Het hof overweegt hieromtrent:
“dat de periode gelegen tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling daarvan ter terechtzitting weliswaar lang is, doch niet dusdanig lang dat dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.”
6. Tegen die verwerping brengt de toelichting op het middel in dat het hof door aldus te overwegen geen inzicht geeft in zijn opvatting of al dan niet van schending van de redelijke termijn sprake is, terwijl het voorts - indien wel van schending kan worden gesproken - niet duidelijk maakt of het belangen heeft afgewogen bij de vraag naar de sanctionering daarvan. De toelichting stelt zich op het standpunt dat een tijdsverloop van 22 maanden in ieder geval schending van de redelijke termijn oplevert.
7. Uit het dossier blijkt het volgende. Bij akte van 16 januari 1997 is namens verzoeker hoger beroep ingesteld tegen het op 8 januari 1997 tegen verzoeker gewezen vonnis. Op 18 maart 1997 is het dossier ingekomen bij het gerechtshof/ressortsparket te Amsterdam. Nadat op 10 juni 1997 een last tot toevoeging van de raadsman is afgegeven, is hem op 3 september 1998 kennisgegeven van de voor-genomen zittingsdatum: 10 november 1998, hetgeen op 7 september ook aan verzoeker is kenbaar geworden. Van enige intussen ondernomen activiteit blijkt niet.
8. Bij het beoordelen van de gegrondheid van een beroep op het verlopen van een onredelijke termijn in enige procesfase, onderscheidt Uw Raad de tijd die gemoeid is geweest met het inzenden der stukken naar het hogere rechtscollege, van de tijd die verstrijkt van het instellen van het rechtmiddel tot aan het wijzen van het vonnis/arrest. Dat strenger over het eerste onderdeel wordt geoordeeld, dan over de gehele fase vindt - naar mijn inschatting - zijn oorsprong in het wettelijke voorschrift dat in zaken waarin geen voorlopige hechtenis wordt toegepast, de stukken binnen vier maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel moeten worden aangevuld (art. 365a, derde lid, Sv). Omtrent het aanbrengen van de zaak ter zitting van de hogere rechter bepaalt de wet dat de datum van de terechtzitting zo mogelijk binnen acht dagen na het arriveren van de stukken op de griffie wordt bepaald. Hier wordt geen termijn, maar een streven in de wet neergelegd.
9. Kan uit Uw rechtspraak worden afgeleid dat voor het eerste onderdeel een periode van acht maanden - bijzondere omstandigheden daargelaten - nog juist acceptabel is in het licht van de waarborg van berechting binnen redelijke termijn (HR 26 januari 1999, NJ 1999, 326), voor de gehele termijn ligt de periode aanzienlijk ruimer. Aangezien Uw Raad wat de duur betreft geen onderscheid maakt tussen het inzenden van de stukken in de appelfase en in de cassatiefase, zou ik geen onderscheid willen maken tussen de cassatiefase in haar geheel en de appelfase in haar geheel. In het arrest van 25 oktober 1999 (nr 110.736) oordeelde Uw Raad dat een periode van 22 maanden tussen het instellen van beroep in cassatie en het wijzen van het arrest langer dat wenselijk is, maar geen schending van art. 6 EVRM Pro oplevert. Ik zou deze lijn willen doortrekken naar de appelfase.
10. De stukken zijn ruimschoots binnen de wettelijke termijn van vier maanden ingezonden bij het gerechtshof. Dat in de appelfase de aanvankelijke wieksnelheid tot die van de gebruikelijke snelheid van de justitiële molens is teruggelopen valt te betreuren, maar brengt op zich zelf niet met zich mee dat alleen daardoor reeds de waarborg van berechting binnen redelijke termijn is geschonden.
11. Terug naar de overweging van het hof.
De schrijvers van de toelichting kan worden toegegeven dat het hof heeft nagelaten te doen blijken of de redelijke termijn geschonden is. Immers, volgens de jurisprudentie van Uw Raad behoort niet-ontvankelijkheid van het OM wegens overschrijding van de redelijke termijn gereserveerd te worden voor de ernstigste gevallen daaronder, en dient in de regel bij overschrijding van de redelijke termijn met strafreductie te worden gereageerd (16 december 1997, NJ 1998, rov. 5.4). Door te overwegen dat de litigieuze termijn weliswaar lang is, maar niet dusdanig lang dat niet-ontvankelijkheid van het OM moet volgen, heeft het hof de mogelijkheid opengelaten dat toch van een overschrijding van de waarborg van art. 6 EVRM Pro sprake is (die dan met strafvermindering zou kunnen worden vereffend).
12. Echter: blijkens de samenvatting van het verweer door het hof is de opstelling van de verdediging in hoger beroep is er een geweest van alles of niets: men heeft ingezet op de niet-ontvankelijkheid van het OM, en niet op strafvermindering. Was dit laatste wel geschied, dan had het hof inderdaad dienen af te wegen of in het onderhavige geval met niet-ontvankelijkheid dan wel met strafvermindering diende te worden gereageerd, terwijl het voorts - indien het resultaat van deze belangenafweging was geweest dat termijnoverschrijding in de op te leggen straf zou moeten worden uitgedrukt - had dienen aan te geven in welke mate het in de straftoemeting de termijnoverschrijding heeft verrekend (HR 7 april 1987, NJ 1987, 587). Nu het verweer evenwel hierop niet gericht is geweest, faalt de grief tegen de benadering van het hof.
13. Overigens meen ik op grond van hetgeen in de paragrafen 7-10 is geschreven dat niet van een overschrijding van de redelijke termijn sprake is. Ik interpreteer de desbetreffende passage van het hof dan ook in dit licht.
14. Het middel onaannemelijk, en ook overigens geen gronden voor vernietiging van de aangevallen beslissing aanwezig achtend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG