AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt rechtmatig gebruik van gemeenschappelijke weg en afwijzing vordering tot verwijdering dam
In deze zaak staat centraal of de eigenaar van een perceel, die een dam in een sloot van een naburig perceel heeft aangebracht, onrechtmatig heeft gehandeld jegens de buurman die de verwijdering van die dam vordert. De dam verspert het gebruik van de Trimunterweg, een weg die sinds 1951 als gemeenschappelijke sintelweg dient voor meerdere percelen.
De rechtbank en het hof stelden vast dat de Trimunterweg is aangelegd ten behoeve van de eigenaren van de aanliggende percelen, met een onderhoudsplicht voor alle eigenaren. De eigenaar van het perceel met de dam heeft een groot belang bij het gebruik van de weg om zijn land te exploiteren, terwijl de buurman geen rechtens te respecteren belang heeft bij verwijdering van de dam, mede omdat hij alternatieve uitwegen heeft.
De Hoge Raad bevestigt dat de vordering tot verwijdering van de dam wordt afgewezen omdat het verlangen daarvan een misbruik van eigendomsrecht inhoudt. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de eigenaar van de dam mocht terugkomen op zijn toezegging tot verwijdering, omdat deze was gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, en dat de dwalingsregeling analoog kan worden toegepast op eenzijdige rechtshandelingen zoals een toezegging.
Uitkomst: De vordering tot verwijdering van de dam wordt afgewezen wegens misbruik van eigendomsrecht en het ontbreken van een rechtens te respecteren belang.
Conclusie
Rolnr. C98/170HR Mr Strikwerda
Zt. 14 jan. 2000 conclusie inzake
[eiser]
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of verweerder in cassatie, hierna: [eiser], die als eigenaar van een perceel grond een dam heeft laten aanbrengen in een sloot van een naburig, aan eiser tot cassatie, hierna: [eiser], toebehorend perceel grond, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en gehouden is tot schadevergoeding dan wel tot verwijdering van die dam.
2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 4 van het bestreden vonnis).
(i) [Eiser] is eigenaar van de percelen kadastraal bekend als gemeente [woonplaats] sectie F nrs. [nummer] en [nummer]. Over de percelen van [eiser] loopt een geasfalteerde weg, de Trimunterweg, die zich daar sinds 1951 als sintelweg bevond.
(ii) [eiser] was tot 19 mei 1994 eigenaar van het tegenover perceel [nummer] gelegen perceel kadastraal bekend als gemeente [woonplaats] sectie F nr. [nummer].
(iii) Voornoemde percelen [nummer] en [nummer] worden gescheiden door een sloot die eigendom van [eiser] is. In deze sloot bevindt zich een dam die door [eiser] - en thans door zijn rechtsopvolger - wordt gebruikt om via de Trimunterweg perceel [nummer] te bereiken.
(iv) [Eiser] heeft [eiser] gesommeerd de dam te verwijderen. Bij brief van 13 mei 1994 heeft [eiser] toegezegd de dam te zullen verwijderen, van welke toezegging hij later, na bestudering van de notariële akte 'onderhoud sintelweg te Zethuis onder [woonplaats]' uit 1951, is teruggekomen.
(v) De percelen die thans bekend staan als gemeente [woonplaats] sectie F nrs. [nummer] en [nummer] bevonden zich in 1951 in één hand, zodat ten behoeve van perceel [nummer] geen erfdienstbaarheid is gevestigd. In de akte uit 1951 is ten aanzien van de weg tevens, naar rato van de omvang van de percelen, een onderhoudsplicht opgenomen voor alle eigenaren van de aan de sintelweg aangelegen percelen.
(vi) De rechtsvoorganger van [eiser] heeft kort voor de verkoop van perceel [nummer] een bedrag van f 15.000,- betaald om de Trimunterweg te voorzien van een betonlaag. Ook de eigenaren van de overige aan de Trimunterweg gelegen percelen hebben aan de asfaltering van de Trimunterweg bijgedragen.
(vii) De kosten die gemoeid zijn met het verwijderen van de dam bedragen in totaal f 3.489,75.
3. Bij exploit van 14 november 1994 heeft [eiser] [eiser] gedagvaard voor de Kantonrechter te Groningen en gevorderd - kort gezegd - primair dat [eiser] zal worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van f 3.489,75 als schadevergoeding voor de kosten van verwijdering van de dam, en subsidiair dat [eiser] zal worden bevolen de dam op zijn kosten te verwijderen en verwijderd te houden. [Eiser] stelt daartoe dat [eiser], door zonder toestemming van [eiser] een dam in de sloot aan te leggen, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Volgens [eiser] mag [eiser] niet via de dam over de Trimunterweg uitwegen, nu ten behoeve van perceel [nummer] geen erfdienstbaarheid ten laste van perceel [nummer] is gevestigd en er evenmin sprake is van een noodweg, aangezien [eiser] via het naastliggende perceel 4067 en de al jaren bestaande dam in de noordoosthoek van dat perceel en vervolgens via twee andere percelen kan uitwegen naar de openbare weg, de Zethuisterweg. Voorts stelt [eiser] dat [eiser] in ieder geval niet mocht terugkomen van zijn toezegging van 13 mei 1994 de dam te verwijderen, zulks te minder nu [eiser] ten tijde van het maken van deze afspraak werd bijgestaan door een juridisch adviseur.
4. [Eiser] heeft de vordering van [eiser] bestreden. Hij voert onder meer aan dat [eiser] geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn vordering, nu [eiser] het gebruik van de Trimunterweg niet kan worden ontzegd, aangezien de aanleg en het onderhoud van die weg in 1951 is geschied voor gemeenschappelijke rekening van de eigenaren van de aanliggende percelen die door deze weg werden ontsloten. Het perceel van [eiser] wordt volgens [eiser] niet minder waard als [eiser] ook gebruik maakt van de Trimunterweg, die toegankelijk is voor alle daaraan gelegen percelen, waaronder een aantal boerderijen en woningen.
5. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is [eiser] in het gelijk gesteld.
6. In hoger beroep was de Rechtbank te Groningen in zijn thans in cassatie bestreden vonnis van 20 februari 1998 van oordeel dat [eiser] geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn vordering om de dam te verwijderen zodat [eiser] niet meer zou kunnen uitwegen via de Trimunterweg (r.o. 7). De Rechtbank baseerde dit oordeel op het volgende:
- uit de akte van 1951 valt af te leiden dat de huidige Trimunterweg destijds als sintelweg is aangelegd ten behoeve van de eigenaren van de aan die weg aangelegen percelen, waaronder ook de toenmalige eigenaar van het huidige perceel [nummer], waarbij aan de eigenaren tevens een onderhoudsverplichting ten aanzien van deze weg is opgelegd;
- uit de akte van 1951 blijkt dat ook de eigenaar van het huidige perceel [nummer] destijds was gehouden aan de aanleg en het onderhoud van de sintelweg bij te dragen;
- uit het feit dat niet betwist is dat aan de Trimunterweg boerderijen en woningen zijn gelegen, valt af te leiden dat ook door anderen dan [eiser] regelmatig gebruik wordt gemaakt van de Trimunterweg;
- niet is betwist dat de rechtsvoorganger van [eiser] - kort voor dat [eiser] het huidige perceel [nummer] kocht - een bedrag van f 15.000,- aan onderhoud van de Trimunterweg heeft bijgedragen.
Voorts was de Rechtbank van oordeel dat het perceel van [eiser] niet noemenswaardig minder waard wordt als ook [eiser], naast de anderen die reeds van de Trimunterweg gebruik maken, van de Trimunterweg gebruik maakt, temeer niet nu [eiser] en zijn latere rechtsopvolger zich uitdrukkelijk bereid hebben verklaard in het onderhoud van de weg bij te dragen. Volgens de Rechtbank heeft [eiser] - en thans zijn rechtsopvolger - daarentegen wel een groot belang om van de Trimunterweg gebruik te maken om zijn land te exploiteren.
Met de Kantonrechter was de Rechtbank van oordeel dat [eiser], nu hij bij nadere bestudering van de stukken meende dat van hem niet op goede gronden verwijdering van de dam gevorderd kon worden, mocht terugkomen van zijn toezegging de dam te zullen verwijderen, ook al werd hij ten tijde van de toezegging terzijde gestaan door een juridisch adviseur.
7. [Eiser] is tegen het vonnis van de Rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel. [eiser] is in cassatie niet verschenen.
8. Onderdeel I van het middel bevat geen klacht.
9. Onderdeel II van het middel keert zich in zes subonderdelen tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] bij zijn vordering om de dam te verwijderen geen rechtens te respecteren belang heeft, en tegen de gronden waarop dit oordeel is gebaseerd.
10. Alvorens in te gaan op de in onderdeel II geformuleerde klachten is het dienstig de beslissing van de Rechtbank nader te analyseren.
11. Met de steller van het middel (zie de schriftelijke toelichting, onder 10) kan men het eens zijn dat de beslissing van de Rechtbank is gesteld in de sleutel van misbruik van recht. De vraag die de Rechtbank zich heeft gesteld is of [eiser] als eigenaar van het perceel waarop [eiser] de dam heeft aangelegd misbruik van zijn uit zijn eigendomsrecht voortvloeiende bevoegdheden maakt door van [eiser] verwijdering van de dam te verlangen. Nu niet is gesteld dat [eiser] deze bevoegdheden uitsluitend uitoefent met geen ander doel dan [eiser] te schaden, is voor de beoordeling van deze vraag beslissend of [eiser], in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen zijn belang bij verwijdering van de dam en het belang van [eiser] dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid tot uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen (art. 3:13 lid 2 BWPro). De Rechtbank is kennelijk van oordeel dat dit het geval is, nu zij overweegt dat [eiser] geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn vordering om de dam te verwijderen, terwijl [eiser] - en thans zijn rechtsopvolger - daarentegen wel een groot belang heeft bij het laten bestaan van de dam. De onevenredigheid tussen het belang van [eiser] dat gediend wordt met de verwijdering van de dam en het belang van [eiser] dat daardoor geschaad wordt, rechtvaardigt - anders gezegd - de conclusie dat [eiser] zijn eigendomsrecht misbruikt, aldus begrijp ik het oordeel van de Rechtbank.
12. Centraal in de door de Rechtbank gemaakte afweging staat het gezichtspunt dat [eiser] - en thans zijn rechtsopvolger - als eigenaar van perceel [nummer] bij verwijdering van de dam geen toegang heeft tot de Trimunterweg, hoewel op grond van de akte uit 1951 moet worden aangenomen dat hij als eigenaar van perceel [nummer], evenals de andere eigenaren van de aan de Trimunterweg aangelegen percelen, gerechtigd is via deze weg uit te wegen op de openbare weg, de Zethuisterweg. De Rechtbank overweegt immers dat [eiser] geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn vordering om de dam te verwijderen "zodat [eiser] niet meer zou kunnen uitwegen via de Trimunterweg" en dat [eiser] - en thans zijn rechtsopvolger - "daarentegen wel een groot belang (heeft) om van de Trimunterweg gebruik te maken om zijn land te exploiteren". Zonder de dam is de eigenaar van perceel [nummer] verstoken van toegang tot de Trimunterweg en kan hij, hoewel hij verplicht is bij te dragen aan het onderhoud van die weg, zijn recht om via die weg uit te wegen naar de openbare weg niet uitoefenen.
13. Ik keer terug naar onderdeel II van het middel.
14. Na subonderdeel 1, dat geen klacht bevat, betoogt subonderdeel 2 dat het oordeel van de Rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd, omdat de Rechtbank bij de kennelijk door haar verrichte belangenafweging niet heeft betrokken (de stelling van [eiser]) dat [eiser] de dam eerst in april 1994 heeft aangelegd, welke stelling impliceert dat vóór april 1994, ook door [eiser], geen gebruik werd gemaakt van de (toen nog niet geplaatste) dam om daarover via de Trimunterweg uit te wegen.
15. Dit betoog faalt. De bedoelde stelling hangt samen met de stelling van [eiser] dat [eiser] naar de openbare weg, de Zethuisterweg, kan uitwegen via het naastliggende perceel 4067 en de al jaren bestaande dam in de noordoosthoek van dat perceel en vervolgens via twee andere percelen. Daaruit zou dan volgen dat [eiser] reeds via die alternatieve route kan uitwegen op de openbare weg en in het verleden, nu de dam pas in april 1994 is aangelegd, kennelijk ook van dat alternatief gebruik gemaakt heeft, zodat [eiser], ook zonder gebruik te maken van de Trimunterweg, kan uitwegen op de openbare weg. Dit standpunt van [eiser] miskent evenwel dat [eiser] als eigenaar van perceel [nummer], naar de Rechtbank uit de akte uit 1951 heeft afgeleid en door het middel ook niet wordt bestreden, gerechtigd is om van de Trimunterweg gebruik te maken om uit te wegen. Een afweging als bedoeld in het derde lid van art. 5:57 BWPro (aanwijzing van een noodweg) is hier (dus) niet aan de orde.
16. Uit het vorenstaande volgt dat ook de motiveringsklacht van subonderdeel 3 moet falen. Dat de Rechtbank bij de beoordeling van de huidige situatie rekening heeft gehouden met de situatie in 1951 is geenszins onbegrijpelijk, aangezien de Rechtbank kennelijk en terecht heeft gemeend dat de strekking van de akte van 1951 niet goed is begrijpen zonder de situatie in 1951 in ogenschouw te nemen. Dat de Rechtbank op grond van de situatie in 1951, toen de percelen [nummer] en [nummer] nog in één hand waren, heeft aangenomen dat de strekking van de akte van 1951 is dat in de huidige situatie, waarin de percelen in verschillende handen zijn gekomen, de eigenaar van perceel [nummer] gerechtigd is om van de Trimunterweg gebruik te maken is evenmin onbegrijpelijk, nu uit de akte van 1951 blijkt dat ook de eigenaar van perceel [nummer] destijds was gehouden aan de aanleg en het onderhoud van de Trimunterweg bij te dragen.
17. Subonderdeel 4 betoogt dat de Rechtbank bij de afweging van de belangen van [eiser] en [eiser] ten onrechte geen rekening heeft gehouden, enerzijds met het belang van [eiser] als eigenaar om gevrijwaard te blijven van inbreuken op zijn eigendomsrecht, zoals die door [eiser] is gepleegd door het aanleggen van de dam in de aan [eiser] toebehorende sloot, en anderzijds met de mogelijkheden voor [eiser] om op een andere passende wijze uit te wegen naar de openbare weg.
18. Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het onderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het wil betogen dat de Rechtbank zou hebben miskend dat [eiser] als eigenaar belang heeft gevrijwaard te blijven van inbreuken op zijn eigendomsrecht. De Rechtbank heeft dit belang niet miskend, doch heeft geoordeeld dat op grond van de afweging als bedoeld in de slotzinsnede van het tweede lid van art. 3:13 BWPro dat eigenaarsbelang van [eiser] moet wijken voor het belang van [eiser]. Voor zover het subonderdeel strekt ten betoge dat de Rechtbank had moeten onderzoeken welke andere mogelijkheden voor [eiser] bestaan om op passende wijze uit te wegen naar de openbare weg faalt het op dezelfde gronden als waarop subonderdeel 2 moet stranden.
19. De klacht van subonderdeel 5, dat de Rechtbank heeft miskend dat [eiser] als eigenaar van de Trimunterweg in beginsel de bevoegdheid toekomt uit te maken of en in hoeverre hij aan een derde, die daar niet toe gerechtigd is, toe te staan van zijn eigendom gebruik te maken, faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De Rechtbank heeft dat recht van [eiser] niet miskend, doch heeft op grond van de akte uit 1951 aangenomen dat [eiser] als eigenaar van perceel [nummer] behoort tot degenen die gerechtigd zijn tot gebruik van de Trimunterweg om daarover uit te wegen. Ook de klacht dat de Rechtbank niet heeft vastgesteld dat [eiser] wegens de onevenredigheid van de daarbij betrokken belangen niet tot de uitoefening van zijn bevoegdheid tot verwijdering van de dam kan worden toegelaten, mist naar mijn oordeel feitelijke grondslag. Zoals hiervoor is betoogd (onder 11), ligt in het oordeel van de Rechtbank, dat [eiser] geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn vordering tot verwijdering van de dam, terwijl [eiser] - en thans zijn rechtsopvolger - wel een groot belang heeft bij het laten bestaan van de dam, besloten dat sprake is van een zodanige onevenredigheid van belangen, dat [eiser] misbruik maakt van zijn eigendomsrecht maakt door verwijdering van de dam te verlangen.
20. Subonderdeel 6 klaagt dat de Rechtbank ten onrechte niet in haar oordeel heeft betrokken de - volgens het middel: essentiële - stelling van [eiser] dat [eiser] kon uitwegen via perceel 4067 en vervolgens via de al jaren bestaande dam in de noordoosthoek van dat perceel via de percelen 3592 en 1622 naar de Zethuisterweg.
21. Dat en waarom deze klacht naar mijn oordeel niet tot cassatie kan leiden, is reeds aangegeven bij de bespreking van subonderdeel 2. Zie de aantekening onder 15.
22. In onderdeel III van het middel wordt stelling genomen tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] mocht terugkomen van zijn toezegging de dam te zullen verwijderen. De Rechtbank zou volgens het onderdeel hebben miskend dat van een toezegging, zoals door [eiser] gedaan, in beginsel niet kan worden teruggekomen op de enkele grond dat de toezegging werd gedaan onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken omtrent de rechtpositie waarin degene die de toezegging deed meende te verkeren, zulks te minder in situaties als de onderhavige waarin degene die de toezegging deed werd bijgestaan door een juridisch adviseur.
23. De opvatting waarop deze klacht berust, kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. In het onderhavige geval heeft de Rechtbank kennelijk geoordeeld dat de toezegging door [eiser] onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en dat [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken omtrent dat rechtspositie van de eigenaar van perceel [nummer] ten aanzien van het gebruik van de Trimunterweg de toezegging niet zou hebben gedaan. Weliswaar is de dwalingsregeling van art. 6:228 BWPro slechts geschreven voor obligatoire overeenkomsten en - via de bepaling van art. 6:216 BWPro - van overeenkomstige toepassing op andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen, maar dit verhindert de rechter niet de regeling ook op eenzijdige rechtshandelingen, zoals een toezegging, naar analogie toe te passen (vgl. Parl. Gesch. Boek 3. blz. 222). Waar het onderdeel niet aangeeft, waarom de Rechtbank in dit geval de dwalingsregeling niet analoog had mogen toepassen of onjuist heeft toegepast (ook de schriftelijke toelichting zwijgt op dit punt), moet het onderdeel falen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.