ECLI:NL:PHR:2000:AA5439
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken ondertekening middelen van cassatie
Verzoekster werd door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens 24 overtredingen van de Rijtijdenwet 1936. Tegen dit vonnis werd cassatieberoep ingesteld. De schriftuur met de middelen van cassatie werd ingediend door een advocaat die verklaarde gevolmachtigd te zijn, maar het ingezonden exemplaar was niet ondertekend. Er ontbraken ook andere stukken die deze ondertekening konden bevestigen.
Volgens art. 56 WED Pro is het vereist dat in een cassatiezaak de middelen van cassatie vóór de zitting door een advocaat ondertekend worden ingediend, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Omdat deze ondertekening ontbrak en niet kon worden hersteld, moest de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaren.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekte tot deze niet-ontvankelijkverklaring. Deze beslissing volgt eerdere jurisprudentie waarin het belang van de ondertekening en de gevolmachtiging werd benadrukt.
Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken ondertekening middelen van cassatie door gevolmachtigde advocaat.