ECLI:NL:PHR:2000:AA5439

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
111017 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken ondertekening middelen van cassatie

Verzoekster werd door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens 24 overtredingen van de Rijtijdenwet 1936. Tegen dit vonnis werd cassatieberoep ingesteld. De schriftuur met de middelen van cassatie werd ingediend door een advocaat die verklaarde gevolmachtigd te zijn, maar het ingezonden exemplaar was niet ondertekend. Er ontbraken ook andere stukken die deze ondertekening konden bevestigen.

Volgens art. 56 WED Pro is het vereist dat in een cassatiezaak de middelen van cassatie vóór de zitting door een advocaat ondertekend worden ingediend, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Omdat deze ondertekening ontbrak en niet kon worden hersteld, moest de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaren.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekte tot deze niet-ontvankelijkverklaring. Deze beslissing volgt eerdere jurisprudentie waarin het belang van de ondertekening en de gevolmachtiging werd benadrukt.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken ondertekening middelen van cassatie door gevolmachtigde advocaat.

Conclusie

Mr van Dorst
Nr. 1 11.017 E Conclusie inzake:
Zitting 14 september 1999 [verzoekster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Wegens 24 overtredingen van de Rijtijdenwet 1936 heeft de economische kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage verzoekster veroordeeld tot evenzovele gedeeltelijk voorwaardelijke geldboetes.
2.1. Aan de voet van de ingezonden schriftuur, houdende drie middelen van cassatie is vermeld:
De schriftuur wordt ondertekend en ingediend door Mr J.B. Vallenduuk, advocaat en procureur te Haarlem, (...), die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirante van cassatie.
2.2. Het aan de Hoge Raad toegezonden exemplaar van de schriftuur is echter niet ondertekend. Een handtekening die zou kunnen bevestigen dat mr. Vallenduuk inderdaad uitdrukkelijk is gevolmachtigd tot indiening van de schriftuur, ontbreekt derhalve. Andere stukken die dit verzuim zouden kunnen helen, bijv. een ondertekende aanbiedingsbrief, heb ik evenmin aangetroffen.
2.3. Bij gebreke van het een en het ander moet worden aangenomen dat niet is voldaan aan de eis van art. 56 WED Pro dat in een zaak als de onderhavige op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep vóór de zitting van de Hoge Raad door een advocaat een schriftuur, houdende middelen van cassatie, moet worden ingediend. Vgl. HR 17 april 1984, NJ 1984, 638 en HR 22 juni 1999, nr. 111.502E alsmede Elzinga/De Hullu in de losbladige Strafvordering, aant. 2 bij art. 452.
3. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,