Art. 25 UitleveringswetArt. 29 UitleveringswetArt. 271 SvArt. 280, eerste lid, SvArt. 26, derde lid Uitleveringswet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkverklaring in uitleveringsprocedure wegens afwezigheid opgeëiste persoon
De Officier van Justitie te Zutphen stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van de rechtbank die uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaarde. De Hoge Raad vernietigde deze uitspraak en beval dat de opgeëiste persoon moest verschijnen voor de zitting van de Hoge Raad. De opgeëiste persoon verscheen echter niet bij meerdere zittingen, ondanks medebrenging.
De Hoge Raad overwoog dat de Uitleveringswet geen verstekprocedure kent en dat de toelaatbaarverklaring van uitlevering zonder dat de opgeëiste persoon is gehoord leidt tot nietigheid van het onderzoek. De wetgever acht het essentieel dat de opgeëiste persoon wordt gehoord alvorens over uitlevering te beslissen, ook al leidt dit tot procedurele vertraging.
Omdat de opgeëiste persoon niet te traceren is en niet verschijnt, acht de Hoge Raad het niet zinvol om de behandeling voort te zetten. Hierdoor kan de Officier van Justitie niet meer ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot in behandeling neming van het uitleveringsverzoek. De conclusie is dan ook dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens afwezigheid van de opgeëiste persoon en het ontbreken van een verstekprocedure.
Conclusie
Mr Jörg
Nr. 112242 U Conclusie inzake:
Zitting 14 maart 2000 [opgeiste persoon]
Edelhoogachtbaar College,
1. De Officier van Justitie te Zutphen heeft cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank aldaar van 22 januari 1999 waarbij de uitlevering van [verdachte] ontoelaatbaar is verklaard. Bij arrest van 22 juni 1999 heeft Uw Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 7 september 1999, teneinde te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. De opgeëiste persoon is op 7 september 1999 niet ter terechtzitting verschenen en ook op de nadere terechtzittingen van 26 oktober 1999 en 30 november 1999 was hij niet aanwezig. Ter terechtzitting van 30 november 1999 is het onderzoek wederom geschorst en is medegedeeld dat de behandeling zal worden voortgezet op 22 februari 2000 en is de dagvaarding en de medebrenging van de opgeëiste persoon ter laatstgenoemde zitting gelast. Dit heeft er evenwel niet in geresulteerd dat de opgeëiste persoon ter terechtzitting van 22 februari 2000 is verschenen. Thans rijst de vraag welke mogelijkheden er bestaan om deze zaak tot een einde te brengen.
2. In HR 20 mei 1975, NJ 1975, 391 m.nt. ThWvV heeft Uw Raad na vernietiging van de uitspraak van de rechtbank het uitleveringsverzoek behandeld, terwijl de opgeëiste persoon niet ter terechtzitting van de Hoge Raad was verschenen. Deze uitspraak verdient mijns inziens om verscheidene redenen geen navolging.
3. In de eerste plaats is het ondertussen vaste jurisprudentie van Uw Raad dat - gelet op het bepaalde in het vierde lid van art. 25 UitleveringswetPro en in aanmerking genomen dat in het destijds van kracht zijnde art. 29 UitleveringswetProart. 271 SvPro betreffende de behandeling bij verstek (thans art. 280, eerste lid, Sv) niet van overeenkomstige toepassing is verklaard - de toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering zonder dat de opgeëiste persoon is gehoord tot nietigheid van het onderzoek en de op basis daarvan gegeven uitspraak leidt (vgl. HR 21 mei 1996, NJ 1997, 69; HR 20 mei 1997, NJ 1998, 170 en HR 12 januari 1999, griffienummer 110.256 U).
4. Daarnaast houdt de Memorie van Toelichting bij het thans nog bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel 26 697, dat onder meer strekt tot wijziging van de Uitleveringswet, met betrekking tot de vraag of het wenselijk is dat uitleveringszaken bij verstek kunnen worden behandeld het volgende in:
Tweede Kamer, 26 697, nr . 3, p. 20: “De uitleveringswet voorziet niet in een verstekprocedure. Redenen hiervoor vormen dat het belangrijk wordt geacht zekerheid te verkrijgen over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon in Nederland, de juistheid van zijn identiteit en dat het belangrijkste verweer dat in een uitleveringsprocedure kan worden gevoerd, nl. het onverwijld aantonen van zijn onschuld, bedoeld in artikel 26, derde lid, bij afwezigheid van de opgeëiste persoon niet aan de orde kan komen. Indien de opgeëiste persoon niet is verschenen is de rechtbank ingevolge het bestaande vierde lid van artikel 25 gehoudenPro de opgeëiste persoon tegen een nadere datum te dagvaarden. Dat betekent een verlenging van de procedure. Dit komt de laatste tijd meer voor, met name doordat [de] sedert de in 1988 gecreëerde mogelijkheid van uitlevering van Nederlanders heeft geleid tot een toename van het aantal zaken waarin - wegens het ontbreken van vluchtgevaar - is afgezien van uitleveringsdetentie. Mede hierdoor is in de praktijk de vraag gerezen of het noodzakelijk is onverkort aan de aanwezigheid van de opgeëiste persoon vast te houden. Wij zijn van oordeel dat de bovengenoemde bezwaren tegen een verstekprocedure onverkort gelden.”
5. De wetgever is zich blijkens het vorenstaande terdege bewust van de problemen die - en de onderhavige zaak is daar een goed voorbeeld van - kunnen ontstaan tengevolge van het voorschrift dat de behandeling van een uitleveringsverzoek niet buiten de aanwezigheid van de opgeëiste persoon mag plaatsvinden, maar is van oordeel dat die bezwaren niet opwegen tegen het belang dat de opgeëiste persoon erbij heeft om te worden gehoord alvorens de rechter over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering beslist.
6. Op grond van het voorgaande bestaat er mijns inziens thans1 geen mogelijkheid om een uitleveringsverzoek bij verstek te behandelen, dus ook het onderhavige niet.
7. De kans dat de opgeëiste persoon ter terechtzitting van de Hoge Raad zal verschijnen opdat hij omtrent het verzoek tot zijn uitlevering kan worden gehoord, lijkt echter verwaarloosbaar klein. Ter terechtzittingen van 7 september 1999, 26 oktober 1999 en 30 november 1999 is de opgeëiste persoon niet verschenen en ondanks het feit dat zijn medebrenging is gelast, was hij ter zitting van 22 februari 2000 evenmin aanwezig. Voorts heeft de Hoofdofficier van Justitie te ’s-Gravenhage mij met het oog op de effectuering van het bevel medebrenging op 21 februari 2000 desgevraagd medegedeeld dat de opgeëiste persoon niet te traceren is. In het licht hiervan lijkt het mij niet zinvol een nieuwe datum te bepalen voor de voortzetting van de behandeling van het uitleveringsverzoek.
8. Nu de Uitleveringswet niet voorziet in een verstekprocedure, zodat de onvindbaarheid van de opgeëiste persoon tot gevolg heeft dat de Hoge Raad niet kan onderzoeken of de gevraagde uitlevering voor inwilliging vatbaar is, zal de Officier van Justitie niet meer in zijn vordering tot inbehandelingneming van het uitleveringsverzoek kunnen worden ontvangen (vgl. HR 3 januari 1989, NJ 1989, 406; HR 15 november 1988, NJ 1989, 758 m.nt. AHJS en HR 15 maart 1988, NJ 1988, 1004 m.nt. AHJS).
9. Deze conclusie sterkt tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in die vordering.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het genoemde wetsontwerp maakt wel behandeling bij afwezigheid van de opgeëiste persoon mogelijk indien zijn raadsman ter zitting verklaart bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn. Een zodanige behandeling geldt echter niet als een behandeling bij verstek (26 697, 2, art. IV, I j° art. 279 SvPro).