AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad over volledige schadeloosstelling bij onteigening van gehuurde bedrijfsruimte
De zaak betreft de onteigening van diverse percelen in Den Haag, waaronder een winkelruimte gehuurd door Robert Bertram Alsem. De gemeente bood een schadeloosstelling aan die Alsem afwees. De rechtbank stelde de schadeloosstelling vast op een hoger bedrag dan het aanbod en bepaalde dat de schadeloosstelling gebaseerd moest zijn op een genormaliseerde, reële huurprijs in plaats van de feitelijk door Alsem betaalde lage huur.
Alsem stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat de schadeloosstelling op de werkelijke, lagere huurprijs had moeten worden gebaseerd. De Hoge Raad analyseerde de relevante wetsartikelen en jurisprudentie omtrent volledige schadeloosstelling bij onteigening, met name de toepassing van objectieve maatstaven en het belang van zakelijke uitgangspunten.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onterecht uitging van een genormaliseerde huurprijs zonder voldoende concrete aanwijzingen dat een huurverhoging redelijkerwijs te verwachten was. De zaak werd verwezen voor nader feitenonderzoek naar de redelijkheid van een mogelijke huurverhoging en de juiste basis voor de schadeloosstelling.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de schadeloosstelling betreft en de zaak wordt verwezen voor nader feitenonderzoek.
Conclusie
Nr. 1279 mr Wattel
Derde Kamer B Conclusie inzake:
Onteigening Robert Bertram Alsem
tegen
Zitting, 26 januari 2000 Gemeente 's-Gravenhage
Edelhoogachtbaar College,
1 Feiten, procesverloop en geschil
1.1 Bij Koninklijk Besluit van 3 april 1998, no. 98.001746,
Stcrt 85, is goedgekeurd het raadsbesluit tot onteigening van
de percelen Hoefkade 727-729-731, Hoefkade 721-723-725 en
Hoefkade 717 te Den Haag, ten behoeve van de uitvoering van
het stadsvernieuwingsplan "Schilderswijk-West 8e herziening".
1.2 Robert Bertram Alsem (hierna: Alsem) was huurder van
Hoefkade 731, alwaar hij een winkel in baby- en
kinderartikelen en -kleding dreef. Als schadeloosstelling te
betalen aan Alsem als derde-belanghebbende, bood de gemeente
ƒ 92.500, welk bod door Alsem werd afgewezen.
1.3 Bij beschikking van 14 oktober 1998, requestnummer 98/556,
bepaalde de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage (hierna: de
rechtbank) dat de door de gemeente
's-Gravenhage (hierna: de gemeente) verzochte vervroegde
opneming zal plaatshebben op de genoemde percelen op 12
november 1998. Bij dezelfde beschikking werden drie
deskundigen benoemd.
1.4 Bij vonnis van 2 maart 1999 (rolnummer 98/4558),
<
?
>
ingeschreven in de openbare registers op 30 maart 1999, sprak
de rechtbank de vervroegde onteigening van de genoemde
percelen uit ten name en ten behoeve van de gemeente. Zij
merkte het op 12 februari 1999 ingediende deskundigenoordeel
aan als conceptdeskundigenrapport. De rechtbank bepaalde dat
partijen hun reactie op dit conceptrapport uiterlijk 12 maart
1999 aan de deskundigen en de rechter-commissaris zouden
toezenden en voorts dat de nederlegging van het definitieve
deskundigenrapport ter griffie van de rechtbank zou dienen
plaats te vinden op 12 april 1999.
1.5 Bij voormeld vonnis van 2 maart 1999 heeft de rechtbank
tevens Alsem als tussenkomende partij in het
onteigeningsgeding toegelaten. Zij heeft voorts het voorschot
op de aan hem toekomende schadeloosstelling vastgesteld op 90%
van het door hem niet aanvaarde aanbod (90% van ƒ 92.500, dus
ƒ 83.250).
1.6 Voor het verdere verloop van de procedure voor de rechtbank
en de vaststaande feiten verwijs ik naar hetgeen de rechtbank
dienaangaande heeft overwogen in haar vonnis van 14 juli 1999.
Bij dat vonnis heeft zij de schadeloosstelling voor Alsem
vastgesteld op ƒ 110.150,<(1) In ro. 26 berekent de rechtbank de inkomensschade op 100.150. In haar beslissing
echter, gaat ze uit van een schadeloosstelling van 110.150. Volgens mij berust het
verschil van 10.000 op een schrijffout.
> zulks op enige punten in afwijking
van de berekening door de deskundigen, die per saldo uitkwam
op ƒ 110.210. De rechtbank heeft daarom de gemeente
veroordeeld tot betaling aan Alsem van ƒ 26.900 (het bedrag
dat de schadeloosstelling het aan hem betaalde voorschot te
boven ging), vermeerderd met een rente van 4% per jaar vanaf
30 maart 1999 tot 14 juli 1999, alsmede vermeerderd met de
wettelijke rente over de som daarvan vanaf 14 juli 1999 tot de
dag der voldoening. Tenslotte heeft de rechtbank (voorzover
hier van belang) de gemeente veroordeeld in de kosten van de
door de rechtbank benoemde deskundigen ten bedrage van
ƒ 23.421,29, in de kosten van de partij-deskundige, Perro
Trading Service (ƒ 739,13) en in de kosten van de procedure,
aan de zijde van Alsem begroot op ƒ 370 terzake van vastrecht
en ƒ 12.954,38 terzake van procureurssalaris.
1.7 Tegen dit vonnis van 14 juli 1999 werd namens Alsem op 26
juli 1999 ter griffie van de rechtbank de verklaring als
bedoeld in art. 52 OnteigeningswetPro<(2) Wet van 21 augustus 1851, Stb. 125.
> (hierna: Ow), houdende
voorziening in cassatie, afgelegd. De verklaring werd op 2
september 1999 met de dagvaarding tegen de eerste
terechtzitting aan de wederpartij betekend. Alsem heeft
zodoende tijdig en op de juiste wijze beroep in cassatie doen
instellen.
1.8 De partijen hebben hun standpunten op uw zitting van 24
november 1999 schriftelijk doen toelichten, waarna Alsem ter
zitting van 8 december 1999 heeft gerepliceerd en de gemeente
op dezelfde zitting heeft gedupliceerd.
1.9 Alsem voert in cassatie één middel aan, inhoudende dat de
rechtbank ten onrechte het oordeel van de deskundigen heeft
overgenomen waar dezen bij de berekening van de hogere
bedrijfslasten (huur) voor een vervangende bedrijfsruimte
uitgaan van de objectieve huurlasten voor de onteigende
bedrijfsruimte in plaats van uit te gaan van de werkelijke,
lagere huurlasten van de onteigende bedrijfsruimte. De
gemeente heeft voor antwoord, zoals nader toegelicht bij (pro-
forma) pleidooi geconcludeerd dat de door de rechtbank
gebezigde vergelijking van de huurwaarde van het onteigende
winkelpand en de huurprijs van het vervangende huurpand, gelet
op alle omstandigheden van het geval, een juiste methode is om
Alsems schadeloosstelling te berekenen.
1.10 Het middel richt zich tegen r.o. 20 van het vonnis van de
rechtbank van 14 juli 1999. De rechtbank overwoog:
"20. Bij de berekening van de kosten van hogere
bedrijfslasten, moet een vergelijking worden gemaakt met de
objectieve huurlasten van de onteigende bedrijfsruimte met
die van de vervangende bedrijfsruimte. Daarbij kan geen
rekening gehouden worden met subjectieve, aan wisseling
onderhevige, omstandigheden. Daarom moet in het algemeen
worden uitgegaan van een reële huurprijs. Een irreële (in
casu: veel te lage) huurprijs kan immers op ieder moment
veranderd worden. Het feit dat de verschillende eigenaars
er tot op heden rekening mee hielden dat Alsem zelf de
winkelruimte had opgebouwd, betekent naar het oordeel van
de rechtbank niet dat van het uitgangspunt van een reële
huurprijs moet worden afgeweken. De door Alsem aangebrachte
voorzieningen zijn immers reeds lang geleden aangebracht en
inmiddels volledig uitgebaat. De door Alsem daadwerkelijk
betaalde huur van fl. 330,00 is volgens de deskundigen niet
reëel, temeer daar Alsem zelf aangeeft dat deze lage huur
verband houdt met het feit dat Alsem de bedrijfsruimte
casco heeft gehuurd en vervolgens zelf heeft ingericht en
onderhouden. Voorts dient naar het oordeel van de
deskundigen rekening gehouden te worden met de mogelijkheid
van huuraanpassing.<(3) In het deskundigenrapport staat: "Deskundigen zijn van mening, dat gelet
zeer lage betaalde huur en de mogelijkheid van huuraanpassing het alleszins
redelijk is uit te gaan van een vergelijking met de economische huurwaarde in
plaats van de betaalde huur."
> Een vergelijking met de door de
Gemeente van de heer Sheikkariem voor het perceel Hoefkade
635 bedongen huur van fl. 850,00 per maand, gaat huns
inziens niet op, daar dit aanbod is gedaan in verband met
de onteigening. Anders dan Alsem zijn de deskundigen van
oordeel dat de huurprijs, welke door De Kilo Poelier voor
het belendende perceel Hoefkade 721 wordt betaald (fl.
1000,00), als vergelijkingsmaatstaf voor Alsem kan gelden.
De rechtbank ziet geen grond om van dit oordeel, dat de
deskundigen baseren op hun kennis van de markt, af te
wijken."
2 De omvang van de schadeloosstelling
a. De wet
2.1 Art. 40 OwPro luidt:<(4) Zoals dit artikel luidt per 1 januari 1992, na de wijziging van de Ow bij Wet van
25 oktober 1989, Stb. 490 jo 1991/607.
>
"De schadeloosstelling vormt een volledige vergoeding voor
alle schade, die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk
door het verlies van zijn zaak lijdt."
Art. 40b Ow luidt:
"De werkelijke waarde van de onteigende zaak, niet
denkbeeldige, die de zaak uitsluitend voor de persoon van
de rechthebbende heeft, wordt vergoed. Bij het bepalen van
de werkelijke waarde wordt uitgegaan van de prijs, tot
stand gekomen bij een onderstelde koop in het vrije
commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk
handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk
handelende koper. In bijzondere gevallen wordt de
werkelijke waarde naar andere maatstaf bepaald."
Van belang voor de huurder is art. 41a Ow:
"Voor zover de volgende artikelen niet anders meebrengen,
zijn de artikelen 40-41 van overeenkomstige toepassing op
rechten die door de onteigening geheel of gedeeltelijk
vervallen."
Art. 42 bepaaltPro:<(5) Ingevoerd bij Wet van 28 januari 1971, Stb. 44.
>
[1.] "Bij de onteigening van verhuurde bedrijfsruimte, als
omschreven in artikel 1636a, laatste lid, van het
Burgerlijk Wetboek, wordt door de onteigenende partij aan
de huurder en de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd schadeloosstelling betaald. Bij de bepaling
van de schadeloosstelling wordt rekening gehouden met de
kans dat de huurverhouding bij het verstrijken van de
geldigheidsduur der overeenkomst zou hebben voortgeduurd.
(?)"
b. De wetsgeschiedenis
2.2 In de MvT bij de wettelijke bepalingen met betrekking tot
huur en verhuur van bedrijfsruimte en tot onteigening van
verhuurde bedrijfsruimte werd opgemerkt:<(6) Wet van 28 januari 1971, Stb. 44; MvT, TK 1966-67 - 8875 nr. 3 blz. 10 lk.
>
"Bij zijn arrest van 23 december 1864, W 2652, overwoog
Hoge Raad dat bij de Onteigeningswet is aangenomen het
beginsel van een volledige vergoeding van alle schade die
een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening
is. Sindsdien heeft de jurisprudentie het beginsel der
volledige schadeloosstelling steeds verder uitgewerkt."
Tot 1961 gold voor de huurders van bedrijfsruimten en voor de
huurders van woningen dezelfde regeling voor de
schadevergoeding bij onteigening. In plaats van uit te gaan
van de werkelijke schade werd een vaste maatstaf gegeven.<(7) De huurprijs van 1 of 2 jaren.
> Bij
wet van 8 december 1961, Stb. 425, kwam daar verandering in
voor huurders van bedrijfsruimte. Het stelsel van gefixeerde
vergoedingen werd losgelaten. Voormelde wet<(8) Dit was een tijdelijke wet.
> ging in beginsel
uit van de werkelijk geleden schade, doch stelde een bepaalde
grens aan de schadeloosstelling die kon worden toegekend. Deze
begrenzing van de schadevergoeding van de huurder van
bedrijfsruimte bij onteigening wilde de minister van Justitie
niet opnemen in de definitieve wet. Zijn nieuwe uitgangspunt
luidt als volgt:
"Zowel in het geval dat een bedrijf wordt uitgeoefend
een pand dat eigendom is van degene die het bedrijf
uitoefent, als in het geval dat het bedrijf in een gehuurd
pand wordt uitgeoefend, wordt bij onteigening
bedrijfsschade geleden. Het juridisch verschil tussen
eigendom en huur betekent echter niet, dat de
bedrijfsschade welke door de onteigening ontstaat, in het
ene geval wezenlijk verschilt van die in het andere geval.
(?)
De aan de huurder van bedrijfsruimte toekomende volledige
schadeloosstelling - mede omvattende vergoeding voor
bedrijfsschade - zal in het algemeen moeten worden
vastgesteld met toepassing van dezelfde regels die in de
rechtspraak voor de berekening van de vergoeding van de
eigenaar zijn ontwikkeld, zij het natuurlijk aangepast aan
de tussen eigendom en huurrecht bestaande verschillen.
Daartoe behoort vóór alles, dat de eigendom een naar duur
onbeperkt recht is, de huur uiteraard een tijdelijk recht.
Bij de berekening van de schadevergoeding zal op tal van
punten - in het bijzonder met betrekking tot de
bedrijfsschade - met de tijd dat de huur, indien niet
onteigend ware, zou hebben voortgeduurd, worden rekening