ECLI:NL:PHR:2000:AA5507

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C98/255HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1595 BWArt. 6:159 BWArt. 31 Handelsregisterwet (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurderschap en wanprestatie bij inbreng onderneming in vennootschap

De zaak betreft een geschil tussen een verhuurder en huurder over de vraag of de huurder wanprestatie heeft gepleegd door het gehuurde zonder toestemming aan een derde, Prismashop BV, in gebruik te geven. De huurder had zijn onderneming ingebracht in Prismashop BV, maar bleef formeel huurder en behield zeggenschap over het gebruik van het pand.

De rechtbank stelde vast dat er geen sprake was van onderverhuur, maar dat de vraag was of het huurrecht was afgestaan. De Hoge Raad bevestigt dat het afstaan van het gebruiksrecht aan een derde zonder toestemming wanprestatie kan opleveren, maar dat in deze zaak sprake was van een tussenperiode waarin de huurder nog huurder was en Prismashop BV het pand feitelijk gebruikte met medeweten van de verhuurder.

De Hoge Raad oordeelt dat zolang de bestemming van het gehuurde niet is veranderd en de huurder zijn huurrecht niet overdraagt, het wijzigen van de rechtsvorm van de onderneming niet automatisch wanprestatie betekent. De verhuurder had bovendien jarenlang de situatie gedoogd zonder ingebrekestelling. De vordering tot ontbinding wegens wanprestatie wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot ontbinding wegens wanprestatie wordt afgewezen omdat geen sprake is van afstand van huurrecht of wijziging bestemming.

Conclusie

C 98/255 HR Mr. Langemeijer
Zitting 14 januari 2000 Conclusie inzake:
[verhuurder]
tegen
[huurder]
Edelhoogachtbaar College,
In deze huurzaak, samenhangend met rolnr. C 98/256, gaat het om de vraag of de huurder van bedrijfsruimte wanprestatie heeft gepleegd door het gehuurde in gebruik te geven aan een derde.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan1:
1.1.1. Eiser tot cassatie, [verhuurder], heeft sedert 1981 enkele panden verhuurd aan een vennootschap onder firma, gevormd door [echtgenote van verhuurder]2 en verweerder in cassatie, [huurder]. Deze vennootschap is per 1 juli 1984 omgezet in een commanditaire vennootschap.
1.1.2. De commanditaire vennootschap is bij overeenkomst van 22 april 1986 ontbonden. [huurder] heeft de activiteiten van de vennootschap voortgezet in de vorm van een eenmanszaak. In het voorjaar van 1986 hebben besprekingen plaatsgevonden tussen [verhuurder], [echtgenote van verhuurder], [huurder] en een zekere [compagnon]. De uitkomst was dat [huurder] aan [echtgenote van verhuurder] f 360.000,- heeft betaald voor haar aandeel in het vennootschapsvermogen.
1.1.3. Bij notariële akte van 17 februari 1987 heeft [huurder], samen met [compagnon], een besloten vennootschap opgericht onder de naam Prismashop BV. De aandelen van Prismashop BV waren in handen van Sikon BV, een vennootschap van [huurder], en van Medea Interim Management BV, een vennootschap van [compagnon]. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister heeft [huurder] per 1 oktober 1988 zijn eenmanszaak (“automatenexploitatie [huurder]”) beeindigd. De onderneming van zijn eenmanszaak is voortgezet door Prismashop BV.
1.1.4. Aan het einde van 1990 heeft [huurder] zich teruggetrokken uit Prismashop BV en zijn aandeel in Prismashop BV overgedragen aan [compagnon].
1.2. Op 4 oktober 1991 heeft [verhuurder] bij de kantonrechter te Terneuzen de ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd met nevenvorderingen. [Verhuurder] heeft aan deze eis ten grondslag gelegd dat [huurder] wanprestatie heeft gepleegd door de bedrijfspanden zonder zijn toestemming in gebruik te geven aan een derde, Prismashop BV.
1.3. [Huurder] heeft tot verweer aangevoerd dat in 1986, toen de onderhandelingen tussen hem en [compagnon] enerzijds en [verhuurder] anderzijds over mogelijke aankoop van de panden door [compagnon] niet tot resultaat leidden, met [verhuurder] is afgesproken dat [huurder] en [compagnon] vanaf 1 juli 1986 tezamen als huurder zouden optreden. [Verhuurder] heeft deze stelling betwist. Bij tussenvonnis van 25 maart 1992 heeft de kantonrechter aan [huurder] bewijs van zijn stelling opgedragen.
1.4. Bij vonnis van 24 maart 1993 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [huurder] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. De kantonrechter heeft hieruit opgemaakt dat per 1 juli 1986 een huurovereenkomst bestond met uitsluitend [huurder] als huurder, die de onderneming van de vroegere commanditaire vennootschap als eenmanszaak voortzette, en dus geen huurovereenkomst bestond met Prismashop BV (rov. 3). Ten aanzien van de gestelde wanprestatie overwoog de kantonrechter (rov. 7):
Vooropstellende, dat het [huurder] vrijstaat zijn onderneming in elke gewenste wettelijke vorm te exploiteren, valt niet in te zien in hoeverre hij zijn verplichtingen ex de huurovereenkomst schendt door de vorm, waarin hij zijn onderneming exploiteert te wijzigen zolang de bestemming van het gehuurde object niet is veranderd en zolang hij zijn persoonlijke huurrecht niet aan anderen overdraagt. In het oorspronkelijk huurcontract met de commanditaire vennootschap [echtgenote van verhuurder] en [huurder] CV is daaromtrent ook geen ontbindende voorwaarde gestipuleerd of enige vorm van exploitatie uitgesloten. (Y) Blijkens de inhoud van de (Y) correspondentie heeft [verhuurder] daartegen in principe ook geen bezwaar gehad en zelfs is hij in onderhandeling getreden met de medevennoot van [huurder] in Prismashop BV mits tegen het stellen van de nodige zekerheid. Van enige ingebrekestelling terzake is echter uit die correspondentie niet gebleken. Slechts ten aanzien van de door hem te ontvangen huurtermijnen heeft [verhuurder] voorbehoud gemaakt om Prismashop niet als huurder te erkennen.(Y)
vast te stellen is dat [verhuurder] de door hem thans gewraakte situatie gedurende enige jaren heeft geduld, alvorens te dagvaarden tot ontbinding en zich op wanprestatie te beroepen, zodat in redelijkheid de vorm waarin [huurder] zijn huurrecht heeft uitgeoefend thans niet als wanprestatie valt aan te merken.”
De kantonrechter overwoog nog dat van onderverhuur door [huurder], hetzij aan Prismashop BV, hetzij aan [compagnon] persoonlijk, niet is gebleken. De kantonrechter hield iedere verdere beslissing aan, in afwachting van de uitkomst van de (parallel)procedure over de indeplaatsstelling.
1.5. [Verhuurder] heeft tegen dit laatste vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Middelburg. [Huurder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld met betrekking tot de bewijswaardering. Dit incidenteel appèl kan, als in cassatie niet van belang, verder buiten beschouwing blijven. De rechtbank heeft bij vonnis van 25 februari 1998 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
1.6. [Verhuurder] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. [Huurder] heeft tot verwerping van het beroep geconcludeerd. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten, met re- en dupliek.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Onderdeel 1 bevat geen klacht. De onderdelen 2 - 7 hebben betrekking op de vraag of [huurder] wanprestatie heeft begaan. Daarover het volgende. Art. 7A:1595 BW bepaalt dat de huurder van huizen en andere zaken het gehuurde niet mag onderverhuren noch zijn huur aan een ander mag afstaan, indien hem dit niet is toegestaan3. De rechtbank gaat in rov. 3.3 ervan uit dat ook in de huurcontracten de onderverhuur en het afstaan van het gebruik van het gehuurde wordt verboden4.
2.2. Van onderverhuur (door [huurder] aan Prismashop BV) is niet gebleken, aldus reeds de kantonrechter. De vraag is dus, of [huurder] de huur aan een ander heeft afgestaan. Wat moet worden verstaan onder “afstaan van de huur”? Dat een huurder niet zonder de medewerking van de verhuurder het geheel van rechten en verplichtingen als huurder (kortom: zijn positie als contractspartij) aan een derde kan overdragen, volgt reeds uit art. 6:159 BW Pro. Wat art. 7A:1595 daarenboven verbiedt, is dat de huurder zijn recht op het gebruik van het gehuurde aan een derde afstaat zonder goedvinden van de verhuurder. Het afstaan van het gebruiksrecht kan ook geschieden in de vorm van inbreng van het gebruiksrecht in een vennootschap5. Bij inbreng in een vennootschap maakt het in beginsel geen verschil of de oorspronkelijke huurder directeur van die vennootschap is, noch of de oorspronkelijke huurder de meerderheid van de aandelen in die vennootschap bezit. Zulke omstandigheden zijn immers veranderlijk: er kan een nieuwe directeur worden benoemd en de aandelen kunnen aan een ander worden overgedragen. Zou het verbod voor zulke gevallen niet gelden, dan zou de verhuurder langs die weg met een door hem niet gewenste nieuwe huurder kunnen worden geconfronteerd.
2.3. Op het eerste gezicht lijkt het nu een eenvoudige zaak: wanneer [huurder] zijn onderneming in Prismashop BV heeft ingebracht (zie alinea 1.1.3 hierboven), dan heeft hij ook zijn huurrecht/gebruiksrecht afgestaan en wanprestatie begaan jegens de verhuurder. Dit is samengevat de inhoud van het cassatiemiddel. In het middel wordt evenwel uit het oog verloren dat de rechtbank in rov. 3.3 respectievelijk rov. 3.4 een onderscheid maakt tussen de periode vóórdat [huurder] zich uit Prismashop BV terugtrok (eind 1990) en de periode daarna. In de redenering van de rechtbank is er geen duidelijke caesuur tussen het tijdvak waarin [huurder] de rechten als huurder uitoefent en het tijdvak waarin Prismashop BV de rechten als huurder uitoefent, maar is er sprake van een soort tussenperiode, waarin [huurder] nog steeds huurder was, Prismashop BV feitelijk al in de gehuurde panden zat en de betrokken partijen aan het onderhandelen waren over de precieze voorwaarden waarop Prismashop BV het huurderschap zou kunnen overnemen. In beginsel was Prismashop BV als nieuwe huurder voor [verhuurder] aanvaardbaar, maar over het punt van de zekerheidstelling was nog geen overeenstemming bereikt. De rechtbank komt tot de slotsom dat, in elk geval voor wat betreft die schemerachtige tussenperiode, niet van wanprestatie jegens de verhuurder gesproken kan worden. Over de vraag of in de periode ná het terugtrekken van [huurder] (eind 1990) sprake is van wanprestatie, heeft de rechtbank zich nog niet uitgesproken (rov. 3.4). Dit alles maakt de voorliggende casus tot een nogal atypisch geval, waaraan maar niet teveel precedentwerking moet worden toegekend.
2.4. Onderdeel 2 klaagt over een onjuiste rechtsopvatting omtrent de regel van art. 7A:1595 BW. De inbreng van de eenmanszaak van [huurder] in Prismashop BV brengt volgens het onderdeel een afstaan van huur aan Prismashop BV met zich mee. Voor een vereenzelviging van Prismashop BV en de persoon van [huurder] is volgens het onderdeel geen plaats, reeds omdat [huurder] niet de enige is die zeggenschap heeft over de onderneming die in het gehuurde wordt geexploiteerd6.
2.5. De rechtbank heeft Prismashop BV niet met [huurder] vereenzelvigd. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Verder geeft het bestreden oordeel m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank miskent niet dat het afstaan van huur c.q. van het gebruiksrecht door een huurder wanprestatie jegens de verhuurder kan opleveren. De rechtbank zegt slechts dat in deze tussenperiode er nog geen sprake was van afstand van huur of van een ingebruikgeving. De inbreng van een eenmanszaak in een besloten vennootschap brengt B anders dan het onderdeel betoogt - niet noodzakelijkerwijs steeds een afstand van het huurrecht met zich mee: de oorspronkelijke huurder kan bijvoorbeeld het huurrecht buiten de inbreng houden en zelf het pand aan de vennootschap onderverhuren. In het losbladige Handboek Huurrecht (aant. 5 op art. 7A:1595 BW) wordt afstand van huur als volgt omschreven: “Afstand van huur houdt in dat de oorspronkelijke huurder zijn rechten uit de huurovereenkomst geheel aan de nieuwe huurder afstaat”. Wanneer iemand logés in de door hem bewoonde huurwoning toelaat, wil dat nog niet zeggen dat hij zijn woning aan hen in gebruik afstaat. In de zienswijze van de rechtbank was, in de periode vóórdat [huurder] zich uit de bedrijfsvoering van Prismashop BV had terugtrok, sprake van een tijdelijke situatie waarin [huurder] nog steeds daadwerkelijk het huurrecht uitoefende en partijen aan het onderhandelen waren, terwijl Prismashop met medeweten van de verhuurder (die daartegen geen bezwaar maakte) alvast in het pand zat in afwachting van het resultaat van die onderhandelingen. De rechtbank heeft de juiste maatstaf voor ogen gehad en voor het overige is het bestreden oordeel te nauw verweven met een waardering van de feiten om in cassatie te kunnen worden getoetst. Onderdeel 2 faalt.
2.6. Onderdeel 3 noemt de vaststelling dat [huurder] nog huurder is onbegrijpelijk: volgens [verhuurder] heeft [huurder] zichzelf door de inbreng van zijn onderneming in Prismashop BV in een positie gebracht waarin hij niet langer alle verplichtingen uit de huurovereenkomst zal kunnen nakomen.
2.7. In de toelichting op het onderdeel wordt erkend dat [huurder] huurder is geweest; zie ook alinea 1.4 hierboven. Het onderdeel doelt kennelijk op de stelling dat [huurder] zijn positie als huurder heeft verloren op het ogenblik waarop hij zijn eenmanszaak inbracht in Prismashop BV. Hierboven kwam al aan de orde dat een inbreng van een onderneming in een vennootschap niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat ook het huurrecht wordt ingebracht. In de rechtspraak met betrekking tot huur en verhuur van woonruimte is aanvaard dat een verhuurder er belang bij kan hebben dat de huurder, door zijn hoofdverblijf in het gehuurde te houden, niet alleen juridisch maar ook feitelijk in staat is jegens de verhuurder verantwoordelijkheid te dragen voor de wijze waarop de gehuurde woning wordt gebruikt7. De huurder kan dan toezicht houden op het gebruik. Het is kennelijk in het licht van déze norm, dat de rechtbank overweegt dat er voor de verhuurder in feite niets verandert zolang [huurder] de bestemming van het gehuurde niet verandert, het huurrecht niet overdraagt en zelf zeggenschap behoudt over de wijze waarop Prismashop BV het bedrijf exploiteert. De rechtbank achtte in dit opzicht geen wanprestatie aanwezig in de periode voordat [huurder] zich uit Prismashop BV terugtrok. Voor zover het onderdeel die waardering wil bestrijden met de stelling dat [huurder] feitelijk onvoldoende in staat was jegens de verhuurder verantwoordelijkheid te dragen voor de wijze waarop het gehuurde werd gebruikt, stuit de klacht af op het feitelijk karakter van het bestreden oordeel. Onbegrijpelijk is de redengeving van de rechtbank niet. De rechtbank heeft in rov. 3.4 uitdrukkelijk de mogelijkheid opengehouden dat haar oordeel anders kan uitvallen voor de periode ná de terugtrekking, maar over die periode heeft de rechtbank nog geen beslissing willen nemen. Onderdeel 3 leidt n.m.m. niet tot cassatie.
2.8. Onderdeel 4 is kennelijk subsidiair aan onderdeel 3 voorgesteld. De motiveringsklacht komt erop neer dat, óók indien wordt aangenomen dat [huurder] na de inbreng van zijn eenmanszaak in Prismashop BV nog steeds huurder was, onbegrijpelijk is waarom de rechtbank meent dat [huurder] voldoende zeggenschap had over de gang van zaken binnen Prismashop BV om zijn verantwoordelijkheid als huurder voor de wijze waarop het gehuurde werd gebruikt tegenover de verhuurder te kunnen waarmaken: hij had niet de absolute meerderheid van de aandelen. Het onderdeel voert onder (a) in het bijzonder nog aan dat [verhuurder] in appèl heeft gesteld dat niet [huurder] maar [compagnon] de beslissende zeggenschap over Prismashop BV had; daarvan heeft [verhuurder] zelfs bewijs aangeboden. Onder (b) voert het onderdeel aan dat [huurder], ook al was hij formeel nog huurder, na de inbreng van zijn onderneming in Prismashop BV feitelijk niet in staat was verantwoordelijkheid te blijven dragen voor de wijze waarop het gehuurde werd gebruikt.
2.9. De klacht faalt om dezelfde reden als het voorgaande onderdeel. De rechtbank heeft in rov. 3.3 uiteengezet dat [huurder] B in het tijdvak totdat deze zich eind 1990 uit Prismashop BV terugtrok B voldoende zeggenschap in Prismashop BV had om (mede) de wijze waarop deze het bedrijf in de gehuurde panden zou uitoefenen te bepalen. Om effectief toezicht uit te kunnen oefenen op wat er in de panden gebeurde, kon de rechtbank het voldoende vinden dat [huurder] daadwerkelijk betrokken was bij de exploitatie van de onderneming in het gehuurde. Dat oordeel behoefde, ook in het licht van de gedingstukken, geen verdere toelichting. Voor zover [verhuurder] bedoelt dat [huurder], omdat niet is vastgesteld dat hij de beslissende stem in Prismashop BV had, tegenover [compagnon] geen vuist kon maken indien tussen [huurder] en [compagnon] een verschil van mening zou rijzen over de wijze waarop de onderneming in het gehuurde zou worden geëxploiteerd, heeft de rechtbank kennelijk voor ogen gehad dat B in de tussenperiode, in afwachting van het resultaat van de onderhandelingen B Prismashop BV in het gehuurde zat slechts bij de gratie van het gedogen door [huurder] (met medeweten van de verhuurder). Daarmee had [huurder] een voldoende krachtig machtsmiddel in handen. Bovendien heeft een dergelijk conflict zich niet voorgedaan: de rechtbank stelt in rov. 3.3 vast dat onbestreden is dat [huurder] de bestemming van het gehuurde niet heeft gewijzigd. In deze redenering was het B in dit onderdeel bedoelde - bewijsaanbod van [verhuurder] niet ter zake dienende. Onbegrijpelijk is de redengeving van de rechtbank niet.
2.10. Onderdeel 5 keert zich tegen de vaststelling in rov. 3.3 dat het [verhuurder] reeds in 1988 bekend was dat [huurder] zijn onderneming in Prismashop BV heeft ingebracht. [Verhuurder] noemt deze vaststelling onbegrijpelijk omdat uit de gedingstukken niet blijkt op welk moment [verhuurder] van dit feit op de hoogte werd gesteld. Deze klacht faalt. Waar de rechtbank in rov. 3.3 verwijst naar “de overgelegde correspondentie”, heeft zij kennelijk het oog op de overgelegde briefwisseling in juni/juli 1988, waarin sprake is van de aan [verhuurder] bekende wens van [huurder] om zijn bedrijf in te brengen in Prismashop BV en van pogingen om het huurcontract op naam van Prismashop BV te krijgen. Bovendien heeft de rechtbank haar oordeel toegelicht met het argument dat [huurder] en [compagnon] zich in hun onderhandelingen met [verhuurder] telkens presenteerden als Prismashop BV, waaruit [verhuurder] heeft kunnen opmaken dat de beoogde inbreng in Prismashop BV inmiddels een feit was. Deze redengeving biedt voldoende inzicht in de grond waarop de aangevallen vaststelling berust. Voor het overige was deze vaststelling voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
2.11. Subonderdeel 5b klaagt in het bijzonder over de verwerping van het beroep op art. 31 (oud) Handelsregisterwet. [Verhuurder] had gesteld dat de opheffing van de eenmanszaak van [huurder] en de voortzetting van diens onderneming door Prismashop BV pas in 1990, in elk geval aanmerkelijk later dan de feitelijke inbreng van de onderneming, in het handelsregister zijn ingeschreven. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden: art. 31 (oud) beschermt uitsluitend onkundige derden tegen onvolledigheid van een inschrijving in het handelsregister8. Als [verhuurder] uit anderen hoofde bekend was met de inbreng van de onderneming van [huurder] in Prismashop BV voordat dit feit in het handelsregister werd ingeschreven B en dát was in de redenering van de rechtbank het geval - , baat het beroep op art. 31 Handelsregisterwet Pro hem niet.
2.12. Onderdeel 6 klaagt over de betekenis die de rechtbank heeft toegekend aan de onderhandelingen tussen [verhuurder] enerzijds en [huurder] en [compagnon] anderzijds, bij de beoordeling van de vraag of [huurder] wanprestatie heeft gepleegd. In subonderdeel 6a bestrijdt [verhuurder] allereerst een veronderstelling van de rechtbank dat [verhuurder] niet zou hebben geprotesteerd tegen de inbreng door [huurder] van zijn bedrijf in Prismashop BV: [verhuurder] wijst op zijn brief van 21 juli 1988. Deze klacht mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in rov. 3.3 overwogen:
“[Verhuurder] heeft in zijn correspondentie steeds (formeel) bezwaar gemaakt tegen het huurderschap van Prismashop B.V. Het is niet tegen de inbreng van het bedrijf van [huurder] in Prismashop B.V. dat [verhuurder] in de correspondentie protesteerde, maar tegen het feit dat die B.V. huurder van de panden zou zijn of worden, zolang door die B.V. niet voldoende waarborgen konden worden geboden.”
Deze overweging is geenszins onverenigbaar met de inhoud van de in het middel aangehaalde brief. Of [huurder] zijn eenmanszaak al of niet in een besloten vennootschap onderbracht, ging [verhuurder] op zichzelf niet aan: [verhuurder] was daarbij uitsluitend betrokken voor zover een dergelijke inbreng een wijziging in het huurderschap met zich meebracht.
2.13. Subonderdeel 6b gaat ervan uit dat de onderhandelingen na april 1990 definitief zijn afgebroken. Dat uitgangspunt is door de rechtbank niet aanvaard; in de parallelzaak (onderdeel 2b) komt ditzelfde vraagstuk uitgebreider aan de orde. Overigens faalt de klacht om dezelfde reden als subonderdeel 6a: de inbreng van de eenmanszaak in de vennootschap behoefde niet de goedkeuring van [verhuurder].
2.14. Bij de klacht van subonderdeel 6c zou [verhuurder] n.m.m. belang kunnen hebben indien de rechtbank aan de presentatie onder de naam Prismashop BV of aan het accepteren door [verhuurder] van de huurbetalingen van Prismashop BV de gevolgtrekking zou hebben verbonden dat [verhuurder] daarmee Prismashop BV definitief als nieuwe huurder heeft aanvaard. Dat heeft de rechtbank niet gedaan. In eerste aanleg was na getuigenverhoor niet aangetoond dat Prismashop BV als nieuwe (mede-)huurder door [verhuurder] was geaccepteerd. De rechtbank heeft dan ook tot uitgangspunt genomen dat Prismashop BV geen nieuwe huurder was. Dit stemt geheel overeen met de (in dit subonderdeel herhaalde en door de rechtbank met zoveel woorden erkende) stelling van [verhuurder] dat hij steeds heeft geprotesteerd tegen iedere pretentie van huurderschap van Prismashop BV. Waar het in de redenering van de rechtbank om gaat, is dat het hier een tussenperiode betreft, waarin [huurder] nog steeds huurder was, Prismashop BV alvast in de gehuurde panden zat en de betrokken partijen nog aan het onderhandelen waren over de precieze voorwaarden waarop Prismashop BV het huurderschap zou kunnen overnemen. De omstandigheid dat [huurder] Prismashop BV in deze tussenperiode alvast in de panden heeft toegelaten, levert volgens de rechtbank geen wanprestatie op. Daarbij mocht de rechtbank, als één van de factoren, in aanmerking nemen dat [verhuurder], ondanks zijn formele bezwaren, de onderhandelingen met [huurder] en [compagnon], die zich in hun correspondentie en betalingen presenteerden als Prismashop BV, gewoon heeft voortgezet.
2.15. Onderdeel 7 bouwt voort op de vorige klachten en mist zelfstandige betekenis. Onderdeel 8 keert zich tegen het oordeel in rov. 3.4, dat de vordering in de parallelprocedure tot indeplaatsstelling tijdig is gedaan. Deze klacht faalt op gelijke gronden als de identieke klacht in de parallelzaak C 98/256 HR.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie rov. 3.1 van het bestreden vonnis, dat verwijst naar het tussenvonnis van de kantonrechter van 25 maart 1992, rov. 1; zie ook diens vonnis van 24 maart 1993.
2 [Echtgenote van verhuurder] was de vriendin en latere echtgenote van [verhuurder].
3 De gestelde wanprestatie is aangevangen vóór 1 januari 1992. Art. 1595 (oud) BW was iets anders geformuleerd, maar behelsde in feite dezelfde norm als het huidige recht.
4 De rechtbank heeft kennelijk het oog gehad op prod. 26 bij repliek, een huurcontract waarvan art. 4 o.m. bepaalt: "Het is de huurder verboden zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder het gehuurde geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of in gebruik af te staan".
5 HR 14 april 1967, NJ 1967, 265; HR 20 december 1968, NJ 1969, 134; HR 23 april 1971, NJ 1971, 345.
6 De s.t. (3.3) wijst op: Asser-Abas (1990) nr. 57; zie ook: supplement 5-II (1997) nr. 57; Van den Heuvel (red.), losbladig Handboek Huurrecht, aant. 8b op art. 1595; Ktr. Alphen a/d Rijn, 14 maart 1972, Prg. 1974 nr. 925 m.nt. Valkhoff.
7 HR 22 juni 1984, NJ 1984, 766 m.nt. PAS.
8 V.A.E.M. Meijers, Handboek handelsregister (1998), blz. 110; W.R. Veldhuyzen, Het handelsregister (1998), blz. 117/118; zie in de huidige Handelsregisterwet 1996: art. 18