ECLI:NL:PHR:2000:AA5523
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over gezagsrecht en ondertoezichtstelling in relatie tot Kinderontvoeringsverdragen
De zaak betreft de vraag of de maatregel van ondertoezichtstelling zoals bedoeld in artikel 1:254 e.v. BW ertoe leidt dat de gezinsvoogdij-instelling een gezagsrecht krijgt over de minderjarige in de zin van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (HKOV).
De feiten betreffen een moeder en vader die in 1988 zijn gehuwd en een dochter hebben, die na echtscheiding onder toezicht werd gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg Amsterdam (BJA). De moeder verhuisde in 1998 met de dochter naar Denemarken, waarna het BJA een schriftelijke aanwijzing gaf en een verzoek tot teruggeleiding indiende. De Nederlandse rechter verklaarde zich onbevoegd omdat de dochter haar gewone verblijfplaats inmiddels in Denemarken had.
De Hoge Raad bevestigt dat ondertoezichtstelling niet leidt tot overdracht van gezag aan de gezinsvoogdij-instelling; het gezag blijft bij de ouder. Ook is de Nederlandse rechter niet bevoegd omdat Denemarken geen partij is bij het HKOV. Het HKOV is niet van toepassing op de situatie waarin het kind naar een niet-verdragsstaat verhuist.
De Hoge Raad benadrukt dat het gezagsrecht in het HKOV een verdragsautonoom begrip is en dat de bevoegdheid van het BJA niet gelijkstaat aan gezag in de zin van het verdrag. De moeder had het recht om met het kind te verhuizen zonder dat het BJA gezagsrecht had. De lacune in toezicht door verhuizing naar Denemarken moet door Deense autoriteiten worden opgevangen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat ondertoezichtstelling geen gezagsrecht oplevert en dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft nu het kind in een niet-verdragsstaat verblijft.