ECLI:NL:PHR:2000:AA5530
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn bij tenuitvoerlegging Deense straf
In deze zaak gaat het om de tenuitvoerlegging in Nederland van een strafrechtelijke beslissing van een Deense rechtbank tegen de betrokkene. De politierechter had de tenuitvoerlegging van de straf toelaatbaar verklaard en de straf omgezet in een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzegging van rijbevoegdheid. De raadsman van betrokkene voerde verweer op grond van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, waarbij met name de periode tussen de Deense aanhouding en het verzoek tot tenuitvoerlegging in Nederland (de “Deense periode”) werd aangevoerd.
De politierechter verwierp dit verweer en stelde dat de Deense periode buiten beschouwing moest blijven bij de beoordeling van de redelijke termijn. De Hoge Raad bevestigt deze opvatting en overweegt dat de Nederlandse Staat pas vanaf het moment van de beslissing tot overname van de tenuitvoerlegging gehouden is aan de redelijke termijn. Het tijdsverloop voorafgaand aan de ontvangst van de stukken uit Denemarken kan de Nederlandse autoriteiten niet worden aangerekend.
Verder overweegt de Hoge Raad dat ondanks de overschrijding van de redelijke termijn in de Nederlandse procedure, het belang van de gemeenschap bij normhandhaving zwaarder weegt dan het belang van betrokkene bij verval van het recht tot behandeling. Ook is er geen ernstig risico op een flagrante inbreuk op het recht op een redelijke termijn. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee het oordeel van de politierechter.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tenuitvoerlegging van de Deense straf blijft toelaatbaar ondanks overschrijding van de redelijke termijn.