ECLI:NL:PHR:2000:AA5530

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
112908 W
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overschrijding redelijke termijn bij tenuitvoerlegging Deense straf

In deze zaak gaat het om de tenuitvoerlegging in Nederland van een strafrechtelijke beslissing van een Deense rechtbank tegen de betrokkene. De politierechter had de tenuitvoerlegging van de straf toelaatbaar verklaard en de straf omgezet in een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzegging van rijbevoegdheid. De raadsman van betrokkene voerde verweer op grond van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, waarbij met name de periode tussen de Deense aanhouding en het verzoek tot tenuitvoerlegging in Nederland (de “Deense periode”) werd aangevoerd.

De politierechter verwierp dit verweer en stelde dat de Deense periode buiten beschouwing moest blijven bij de beoordeling van de redelijke termijn. De Hoge Raad bevestigt deze opvatting en overweegt dat de Nederlandse Staat pas vanaf het moment van de beslissing tot overname van de tenuitvoerlegging gehouden is aan de redelijke termijn. Het tijdsverloop voorafgaand aan de ontvangst van de stukken uit Denemarken kan de Nederlandse autoriteiten niet worden aangerekend.

Verder overweegt de Hoge Raad dat ondanks de overschrijding van de redelijke termijn in de Nederlandse procedure, het belang van de gemeenschap bij normhandhaving zwaarder weegt dan het belang van betrokkene bij verval van het recht tot behandeling. Ook is er geen ernstig risico op een flagrante inbreuk op het recht op een redelijke termijn. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee het oordeel van de politierechter.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tenuitvoerlegging van de Deense straf blijft toelaatbaar ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 112.908 W Mr Machielse
Zitting: 22 februari 2000 Conclusie inzake:
[betrokkene]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij vonnis van de politierechter in de arrondissements-rechtbank te Assen is de tenuitvoerlegging van de Deense rechterlijke beslissing van de rechtbank te Arhus van 20 juni 1994 toelaatbaar verklaard. Hierbij is [betrokkene] veroordeeld ter zake van overtreding van de Deense wegenverkeerswet - te weten voor rijden onder invloed en nalaten van de vereiste oplettendheid - tot een vrijheidsstraf van 20 dagen en tot de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaar en zes maanden. Bij genoemd vonnis van de politierechter heeft deze verlof verleend tot tenuitvoerlegging van die beslissing in Nederland. Voorts is daarbij de hiervoor vermelde straf omgezet in een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een eveneens geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden, met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens [betrokkene] heeft mr C. Borstlap, advocaat te Zwolle, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt blijkens de toelichting daarop over de verwerping van een ter zitting namens [betrokkene] gevoerd verweer ter zake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, van het EVRM. De steller van het middel baseert zich hierbij op de in de toelichting op het middel genoemde - juiste - data en daarmee corresponderende processuele momenten.
3.1. Blijkens het proces-verbaal van de politierechter van 15 december 1998 heeft de raadsman van [betrokkene] aldaar het volgende verweer gevoerd:
De raadsman voert onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 van Pro het EVRM. Het feit is gepleegd op 2 januari 1993. Dit is inmiddels bijna zes jaar geleden. Er zijn in deze zaak, welke niet ingewikkeld van aard is, te veel periodes van inactiviteit geweest.
3.2. Dit verweer heeft de politierechter in het bestreden vonnis als volgt verworpen:
De politierechter is van oordeel dat een periode van ongeveer anderhalf jaar - de “Deense periode” dient naar de mening van de politierechter in de onderhavige procedure buiten beschouwing te worden gelaten - in de gegeven omstandigheden niet noodzakelijkerwijze dient te leiden tot hetgeen door de raadsman is betoogd. De politierechter overweegt daartoe dat hoewel in de onderhavige zaak geruime tijd is verlopen, bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap behoudt bij normhandhaving en anderzijds het belang van veroordeelde bij verval van tenuitvoerlegging van de aan hem in Denemarken opgelegde straf, daarvan niet het gevolg behoeft te zijn dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
De politierechter is derhalve van oordeel dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen.
3.3. Met “de Deense periode” bedoelt de politierechter klaarblijkelijk het tijdsverloop tussen de aanhouding van [betrokkene] en het verzoek van de Deense autoriteiten aan Nederland de tenuitvoerlegging van de Deense strafffen over te nemen. De daarop volgende “Nederlandse” periode besloeg op het moment van de behandeling van de vordering door de politierechter te Assen op 15 december 1998 ongeveer anderhalf jaar. De politierechter heeft niet vastgesteld dat de “Deense periode” ongeveer anderhalf jaar heeft geduurd, maar dat de periode die de politierechter aan de eis van behandeling binnen een redelijke termijn heeft te toetsen ongeveer anderhalf jaar bedroeg.
3.4. De beslissing van de politierechter om de “Deense periode” buiten beschouwing te laten is in ieder geval juist. Eerst vanaf de beslissing door de Nederlandse autoriteiten om de tenuitvoerlegging van de Deense beslissing over te nemen was de Nederlandse Staat gehouden te voldoen aan zijn uit art.1 EVRM Pro voortvloeiende verplichting de zaak tegen [betrokkene] binnen een redelijke termijn als bedoeld in art.6, eerste lid, EVRM te behandelen. Aan de Nederlandse autoriteiten kan geen verwijt worden gemaakt voor het tijdsverloop voorafgaande aan de ontvangst van de stukken uit Denemarken.1
Zelfs vraag ik mij af of het bij de overdracht van tenuitvoerlegging wel gaat om de bepaling van een “criminal charge”.2 De Hoge Raad heeft in het kader van de uitlevering ter executie wel beslist dat het tijdsverloop tussen het tijdstip waarop de in het uitleveringsverzoek bedoelde rechterlijke uitspraken voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn geworden en dat waarop de uitlevering ter tenuitvoerlegging is gevraagd niet onder het bereik van “the determination of any criminal charge" valt.3
3.5. In de hiervoor weergegeven verwerping door de politierechter van het gevoerde verweer ligt besloten dat volgens de politierechter de redelijke termijn is overschreden gedurende de “Nederlandse” periode.4 Dat is door de politierechter wel niet met zoveel woorden gezegd, maar gelet op de woorden die de politierechter in de afweging onder Motivering 2.1. heeft gebezigd, op grond van welke afweging het beroep op niet-ontvankelijkheid is afgewezen, kan het niet anders of de politierechter heeft gemeend dat er van “undue delay” sprake was. Behalve dat sprake is van undue delay in de zin van art. 6 EVRM Pro, liggen in de overwegingen nog twee oordelen besloten. Ten eerste - zoals gezegd - dat, bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding behoudt bij normhandhaving door behandeling van de vordering van de officier van justitie enerzijds, en anderzijds het belang dat [betrokkene] heeft bij verval van het recht tot behandeling van die vordering nadat de termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, eerstgenoemd belang moet prevaleren. Ten tweede ligt daarin als zijn oordeel besloten dat er geen ernstige reden is om te vrezen dat [betrokkene] door de behandeling van de vordering van de officier van justitie zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM onder meer gewaarborgde recht op een behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, dat de ingevolge art. 1 EVRM Pro op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, aan de executie op verdragsbasis in Nederland van de in Denemarken opgelegde straf in de weg staat. Deze oordelen geven, gelet op het in het middel genoemde verloop van de termijnen waarop de behandeling van [betrokkene]s zaak heeft plaatsgevonden, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en in het bijzonder niet van art. 6 EVRM Pro.5 De politierechter heeft het verweer bovendien toereikend gemotiveerd verworpen.
3.6. Ook voorzover de steller van het middel nog bedoelt dat het onderhavige tijdsverloop reden had moeten vormen voor de politierechter om te komen “tot een ver(der)gaande matiging van de opgelegde straf” na omzetting daarvan, althans hieraan enige uitdrukkelijke overweging had dienen te wijden, faalt het middel. Een verweer met deze strekking is in feitelijke aanleg immers niet gevoerd. Ik geef overigens toe dat de politierechter niet uitdrukkelijk rekenschap heeft afgelegd van het gevolg dat aan de door dezelfde politierechter impliciet vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn wél is gegeven. In gewone strafzaken leidt zulks wel tot cassatie.6 Maar een operatie als in het onderhavige geval, waarbij enerzijds rekening moet worden gehouden met het nationale strafklimaat, anderzijds met internationale gevoeligheden, is gecompliceerd. Om in die smeltkroes van overwegingen nog eens precies aan te geven welke strafvermindering op het conto van de overschrijding van de redelijke termijn kan worden geschreven is wel veel gevraagd. Tot slot wijs ik erop dat de politierechter de door de Deense rechter opgelegde - onvoorwaardelijke -(bijkomende) straffen na omzetting daarvan niet alleen beide in duur heeft gematigd, maar deze ook nog eens beide in een uitsluitend voorwaardelijke vorm heeft opgelegd. Aldus lijkt mij materieel zeker te zijn voldaan aan de eis dat aan een overschrijding van de redelijke termijn gevolg wordt gegeven. Ik kan bezien vanuit de optiek van de tenuitvoerlegging maar moeilijk inzien in hoeverre deze (bijkomende) straffen nog verder hadden kunnen worden gematigd.
3.6. Het middel faalt dus.
4. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
HR NJ 1998, 769.
2 Zie mr J.A.W. Lensing in Vademecum Strafzaken [48]¾70-72, voetnoot 1.
3 HR 5 november 1996, nr. 104.666 U. In HR 1 februari 2000, nr. 0031/99/U overwoog de Raad: “Het oordeel van de Rechtbank dat het in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn, geen betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak opgelegde straf, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is naar behoren met redenen omkleed.”
4 Deze constatering van de politierechter is niet evident. Tussen de ontvangst der Deense stukken en de uiteindelijke behandeling door de politierechter op 15 december 1998 is de zaak door het ministerie in behandeling genomen, doorgestuurd naar het openbaar ministerie dat de zaak heeft moeten bestuderen en vervolgens de vordering heeft aangebracht voor 16 februari 1998. Toen is de OvJ niet ontvankelijk verklaard omdat het Deense vonnis nog niet aan [betrokkene] was betekend. Vervolgens heeft betekening plaatsgevonden en is op 2 november 1998 wederom een vordering uitgebracht. Er heeft dus heel wat activiteit plaatsgevonden in die anderhalf jaar.
5 HR NJ 1991, 696.
6 DD 92.337.