ECLI:NL:PHR:2000:AA5538
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt aansprakelijkstelling buitenlandse aannemer voor Nederlandse loonbelasting
In deze zaak stond de aansprakelijkstelling van een Duitse aannemer centraal voor niet betaalde loonbelasting en premies volksverzekeringen door een Nederlandse onderaannemer. De aannemer had werkzaamheden verricht via een raamovereenkomst met een Nederlandse onderaannemer, die failliet was gegaan en de belastingen niet had afgedragen.
Het Hof had geoordeeld dat de aansprakelijkstelling terecht was voor de loonbelasting, maar ten onrechte voor de premies volksverzekeringen. De Hoge Raad onderzocht vervolgens of de Wet op de loonbelasting 1964 extraterritoriale werking toekent, zodat een buitenlandse aannemer aansprakelijk kan worden gesteld voor Nederlandse loonbelasting van een Nederlandse onderaannemer.
De Hoge Raad concludeerde dat de artikelen die aansprakelijkheid regelen (art. 32c Wet LB en vergelijkbare bepalingen in de Invorderingswet 1990) geen extraterritoriale werking hebben. Dit betekent dat een buitenlandse aannemer niet aansprakelijk kan worden gesteld voor loonbelasting die verschuldigd is over werkzaamheden in het buitenland, ook niet als de werknemers in Nederland belastingplichtig zijn.
De Hoge Raad vond dat de wetgever geen aanwijzingen had gegeven voor een dergelijke extraterritoriale werking en dat het toekennen daarvan in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. De uitspraak van het Hof werd daarom vernietigd en de aansprakelijkstelling werd teruggedraaid.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de aansprakelijkstelling van de buitenlandse aannemer wegens ontbreken van extraterritoriale werking van de wet.