ECLI:NL:PHR:2000:AA5638
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken gronden in beroepschrift alimentatiegeschil
Partijen waren gehuwd sinds 1967 en zijn in 1994 gescheiden waarbij de man verplicht werd alimentatie te betalen aan de vrouw. De man verzocht meerdere malen om nihilstelling van de alimentatie wegens gewijzigde omstandigheden, maar deze verzoeken werden afgewezen of gewijzigd tot een lager bedrag. Bij de beschikking van 31 maart 1998 werd de alimentatie vastgesteld op een iets lager bedrag dan oorspronkelijk.
De man stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen duidelijke gronden bevatte waarop het beroep was gebaseerd, zoals vereist door artikel 429d lid 1 Rv. De man had wel een aanvullend beroepschrift ingediend, maar dit was te laat en zonder redelijke verklaring.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk was. Het enkele feit dat de vrouw niet in haar verweer werd geschaad, maakte dit niet anders. Ook het beroep op de vertrouwensleer slaagde niet omdat geen bijzondere omstandigheden waren die het toestaan van latere aanvulling rechtvaardigden.
De conclusie van de Procureur-Generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd, waarmee het hoger beroep werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het hoger beroep van de man werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van duidelijke gronden in het beroepschrift.