ECLI:NL:PHR:2000:AA5673
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid dading bij grensgeschil tussen buren
Deze zaak betreft een grensgeschil tussen buren waarbij de vraag centraal stond of partijen een rechtsgeldige dading hadden gesloten volgens art. 1888 BW Pro(oud). Het geschil ging over een strook grond die door de ene partij werd gebruikt terwijl deze volgens kadastrale gegevens toebehoorde aan de ander. Na een comparitie werd een proces-verbaal opgesteld waarin de afspraken werden vastgelegd, maar dit proces-verbaal was niet door partijen ondertekend.
De rechtbank oordeelde dat aan de materiële vereisten van een dading was voldaan en dat ondertekening van het proces-verbaal niet vereist was. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat instemming ook op andere wijze kan worden bewezen. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en benadrukt dat het schriftelijkheidsvereiste een bestaansvoorwaarde is, maar dat ondertekening niet noodzakelijk is zolang instemming kan worden aangetoond.
De Hoge Raad overwoog verder dat partijen de gelegenheid hadden gehad het proces-verbaal te verifiëren en dat zij via hun advocaten instemming hadden betuigd. De enkele omstandigheid dat het proces-verbaal niet door partijen zelf was ondertekend, was daarom niet doorslaggevend. Ook het vereiste dat partijen zich een opoffering getroosten werd als voldaan beschouwd. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de dading wordt als rechtsgeldig beschouwd ondanks het ontbreken van ondertekening van het proces-verbaal.