ECLI:NL:PHR:2000:AA5773
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overgang van mestreferentiehoeveelheid bij gedeeltelijke overdracht agrarisch bedrijf
In deze zaak staat centraal de vraag of bij de overdracht van een agrarisch bedrijf de referentiehoeveelheid dierlijke meststoffen automatisch overgaat op de verkrijger wanneer slechts een deel van het bedrijf wordt overgedragen. De verweerder had een onderneming met een mestvarkensbedrijf en rundveehouderij, geregistreerd als één bedrijf. Hij verkocht een deel van zijn bedrijf aan eiser, maar behield zelf woonhuis, stal en andere productie-eenheden.
Na de overdracht ontstond discussie over wie de mestreferentiehoeveelheid toekomt. Het Bureau Heffingen registreerde de gehele referentiehoeveelheid op naam van eiser, die weigerde een verklaring af te geven dat hij slechts een deel van het bedrijf had overgenomen. De rechtbank oordeelde dat de partijbedoeling bepalend is, maar het hof stelde vast dat de referentiehoeveelheid slechts overgaat bij overdracht van het gehele bedrijf, waarbij het achterhouden van productie-eenheden door de verkoper ertoe leidt dat geen volledige overdracht heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de referentiehoeveelheid volgt uit de overdracht van het gehele bedrijf als zelfstandige eenheid. Het feit dat de verkoper een deel van de productie-eenheden behoudt, betekent dat geen volledige overdracht heeft plaatsgevonden. Ook is het niet van belang of het bedrijf daadwerkelijk werd uitgeoefend op het moment van overdracht. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom eiser niet mocht verwachten het gehele bedrijf over te nemen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de referentiehoeveelheid mest alleen overgaat bij overdracht van het gehele bedrijf en niet bij gedeeltelijke overdracht.