3. [Verweerder] heeft appèl ingesteld tegen beide tussenvon-nissen. Overwegende dat zijn beslissing alleen "de conventie" dient te betreffen aangezien de grieven alleen zijn gericht tegen beslissingen van de Rechtbank op een vordering in con-ventie, heeft het Hof het eerste tussenvonnis van de Rechtbank voorzover tussen partijen in conventie gewezen bekrachtigd, het tweede tussenvonnis voorzover in conventie gewezen vernie-tigd, de conventionele vordering van Bohaco met betrekking tot de contractuele boete alsnog afgewezen en de zaak ter verdere afdoening naar de Rechtbank verwezen. Het Hof overwoog daartoe als volgt.
Het stelde voorop dat de door de Rechtbank in haar eerste tussenvonnis gegeven bewijsopdracht zo begrepen moet worden dat met het loslaten van de opleveringsdatum tevens is gedoeld op het loslaten van de daaraan gekoppelde boeteclausule. Voor de beantwoording van de vraag of [verweerder] in deze bewijsop-dracht was geslaagd, achtte het Hof met name de volgende (in rechtsoverweging 4.3.2 genoemde) omstandigheden van belang:
a) Vaststaat dat behalve Bohaco, [verweerder] en architectenbu-reau [Van H.] bij de bouw nog andere aannemers betrokken waren die niet voor [verweerder] werkten doch direct in opdracht van Bohaco. Bohaco (bedoeld zal zijn: [verweerder]) heeft niet voldoende gemotiveerd betwist aangevoerd dat de onderlinge afstemming van de werkzaamheden van de diverse aannemers een aantal keren problemen heeft opgeleverd; daarbij kan in het midden blijven wiens schuld dat was.
b) Uit de getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat [T.H.] van Bohaco een duidelijk initiërende rol heeft ge-speeld bij het besluit op de bouwvergadering van 27 oktober 1992 om de oorspronkelijke planning los te laten. Uit de getuigenverklaringen valt af te leiden dat dit besluit was ingegeven door de problemen bij de coördinatie van de planning van Bohaco (die van de door haar ingeschakelde aannemers daaronder al dan niet begrepen) en die van [verweerder].
c) Uit de verklaring van getuige [getuige] […] blijkt dat zowel vóór als na 30 november 1992 nadere planningen zijn gemaakt, met name in verband met nadere opdrachten van Bohaco aan [verweerder], alsmede dat Bohaco hierbij zeer nauw betrokken was.
Vervolgens overwoog het Hof in rechtsoverweging 4.3.3 die ik letterlijk citeer met de daarin voorkomende kennelijke verschrijvingen:
"4.3.3. Het Hof is van oordeel dat onder voornoemde omstandig-heden Bohaco duidelijk aan [verweerder] te kennen had moeten geven dat zij met de gewijzigde planning, die in de praktijk neerkwam op een latere oplevering, niet niet tot gevolg had dat de oorspronkelijke opleveringsdatum inclusief de daaraan gekoppelde boete te laten vervallen. Het moet immers voor Bohaco duidelijk zijn geweest dat de instemming van [verweerder] met en de medewerking aan een nieuwe planning - zeker nu er sprake was van nadere opdrachten aan [verweerder] - afhing van de vraag of [verweerder] nog steeds een boete van f 1.000,-- per dag vanaf 30 november 1992 tot aan de eindoplevering volgens de nieuwe planning verschuldigd zou zijn. Nu Bohaco niet expliciet heeft gesteld dat zij op enigerlei wijze op de bouwvergadering van 27 oktober 1992, dan wel tijdig voor 30 november 1992 hierover aan [verweerder] duidelijkheid heeft verschaft, mocht [verweerder] erop vertrouwen dat Bohaco niet alleen de oorspronkelijke planning, maar ook de oorspronkelij-ke opleveringsdatum met de daaraan gekoppelde boete had laten vallen. (..)"
Het Hof concludeerde vervolgens dat de door de Rechtbank in haar tweede tussenvonnis verstrekte bewijsopdracht geen zin meer had en dat Bohaco's conventionele vordering met betrek-king tot de contractuele boete voor afwijzing gereed lag.