ECLI:NL:PHR:2000:AA6088
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens bodemverontreiniging door opslag paardenmest zonder beschermende maatregelen
Op 1 maart 1997 heeft verdachte nabij een adres in een woonplaats zonder bodembeschermende maatregelen ongeveer 16 m3 paardenmest op de bodem opgeslagen, waarbij hij redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit tot bodemverontreiniging kon leiden. Het hof verwierp het verweer dat paardenmest niet onder de Meststoffenwet valt, omdat de Wet bodembescherming een bredere reikwijdte kent en ook meststoffen in feitelijke zin omvat.
De Hoge Raad bevestigde dat de Meststoffenwet primair niet gericht is op bodemverontreiniging, maar dat de Wet bodembescherming een algemene zorgplicht bevat om bodemverontreiniging te voorkomen. Artikel 13 van Pro deze wet verplicht tot het nemen van alle redelijke maatregelen om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen.
Het ontbreken van specifieke uitvoeringsregels of een expliciete regeling voor paardenmest in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen doet niet af aan de strafbaarheid van het handelen. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat paardenmest niet als meststof kan worden aangemerkt en dat de uitzondering voor vaste mest op grasland van toepassing zou zijn. Het beroep werd verworpen en de veroordeling bevestigd.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete wegens het zonder bodembeschermende maatregelen opslaan van paardenmest op de bodem in strijd met artikel 13 Wet bodembescherming.