ECLI:NL:PHR:2000:AA6114
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing deelnemingsvrijstelling bij verkoop aandelen en huurrechten
Belanghebbende, een vennootschap, verkocht in 1991 een pakket bestaande uit aandelen, schuldbrieven en huurrechten. Zij behaalde een boekwinst van fl. 3.181.000, die zij aanvankelijk als belastbare winst opgaf, maar later claimde als vrijgesteld voordeel onder de deelnemingsvrijstelling van art. 13 Wet Pro Vpb 1969. De inspecteur en het hof wezen dit af, stellende dat het voordeel toe te rekenen was aan de huurrechten en niet aan de aandelen.
Het geschil betrof de vraag of de deelnemingsvrijstelling van toepassing was op de verkoopwinst. Het hof oordeelde dat de meerwaarde voortkwam uit de huurrechten, die los stonden van het aandeelhouderschap, en dat de vennootschap niet onzakelijk had gehandeld. Belanghebbende voerde aan dat de huurrechten onzakelijk waren gecreëerd en dat de meerwaarde daarom aan de aandelen moest worden toegerekend.
De Hoge Raad constateerde dat het hof ten onrechte niet had geoordeeld over het onzakelijk handelen en de toepassing van de foutenleer, die zou kunnen leiden tot een andere waardering van de huurrechten en daarmee tot toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere beoordeling over het onzakelijk handelen en de toepassing van de foutenleer.