2. Voor een volledig overzicht van de feiten verwijs ik naar het vonnis in eerste aanleg met de aantekening dat [eiseres] tegen de feitenvaststelling door de Rechtbank op een aantal onderdelen een grief heeft gericht. Het Hof heeft een korte weergave van de feiten gegeven die in cassatie niet is bestre-den; het heeft overigens kennelijk geoordeeld dat op de be-strijding van de feitenvaststelling niet behoefde te worden teruggekomen. In cassatie kan in ieder geval ervan worden uitgegaan dat zich tussen partijen - kort samengevat - het volgende heeft afgespeeld:
De litigieuze onroerende zaak was eigendom van mevrouw [..] (verder ook te noemen: de vrouw), die buiten elke gemeenschap van goederen was gehuwd met [..] (verder ook te noemen: de man). De vrouw had het bewuste perceel (destijds nog onbebouwd) eind 1991 gekocht. Zij kreeg het perceel geleverd op 26 februari 1992 nadat zij een aantal dagen daarvoor - op 21 februari - op eigen naam met [eiseres] een aannemingsovereenkomst had gesloten, inhoudende dat [eiseres] voor haar op het perceel een woning zou bouwen voor de vaste aanneemsom van f 275.000,-. In de aanhef van de over-eenkomst wordt vermeld dat de vrouw op huwelijkse voorwaarden met de man is gehuwd. Op die 26ste februari heeft de vrouw ten behoeve van de Bank op de onroerende zaak een hypotheek geves-tigd voor een bedrag van f 650.000,-, te vermeerderen met rente, boete en kosten. De Rechtbank heeft - in appèl onbe-streden - geoordeeld dat het hypotheekrecht van de Bank ouder is dan het retentierecht van [eiseres]. Ook in cassatie moet, zoals gezegd, daarvan worden uitgegaan.
[Eiseres] is op het perceel gaan bouwen. Haar vorderingen op de vrouw uit hoofde van de aannemingsovereenkomst zijn alle voldaan; tussen partijen is komen vast te staan dat [eiseres] ter zake niets meer van de vrouw te vorderen heeft. [Eiseres] pretendeert echter ook vorderingen te hebben uit een met de man gesloten "aanvullende overeenkomst". Deze aanvullende overeenkomst is evenals de aannemingsovereenkomst met de vrouw gesloten op 21 februari 1992, zij het op geheel andere condi-ties; de aanvullende overeenkomst hield in dat gebouwd zou worden niet voor een vaste aanneemsom doch "op basis van een open begroting". [Eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij bouwopdrachten heeft gekregen tot een totaal bedrag van ca. f 1.150.000,- en dat zij wegens reeds verrichte werk-zaamheden nog bijna f 700.000,- (alsmede schade wegens wan-prestatie) te vorderen heeft; zij heeft zich ter zake beroepen op een retentierecht. In dat verband heeft [eiseres] aanvank-elijk betoogd dat de man de aanvullende overeenkomst is aang-egaan op naam van de vrouw en dat de man daartoe ook bevoegd was, althans dat zij ([eiseres]) hem voor bevoegd mocht houden. Dat betoog is door de Rechtbank verworpen. [Eiseres] heeft met name ook in appèl (subsidiair) betoogd dat de man op eigen naam de aanvullende overeenkomst is aangegaan en dat hij daartoe "feitelijk bevoegd" was omdat de vrouw aan hem de vrije hand had gegeven; [eiseres] heeft gesteld dat zij op die grond een retentierecht tegenover de vrouw en de Bank kon geldend maken. De Bank heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat de vorderingen uit de met de man gesloten aanne-mingsovereenkomst de vrouw en/of de Bank niet aangaan en dat van een retentierecht tegenover de vrouw en/of de Bank geen sprake kon zijn.
Toen de vrouw de onroerende zaak, dat wil zeggen de ondergrond met het woonhuis in aanbouw, had verkocht aan een zekere [koper 1] en [koper 2] voor de prijs van f 820.000,-, hebben de vrouw, [eiseres] en de Bank een overeenkomst gesloten waarbij de vrouw - bij "pandakte" van 15 oktober 1993 - ten behoeve van de Bank en [eiseres] (die daartegenover hun rechten op de onroerende zaak prijsgaven) een pandrecht heeft geves-tigd op haar vordering op [koper 1] en [koper 2] (verminderd met de overdrachtskosten); dit, met rangregeling "als ware gemeld hypotheekrecht niet doorgehaald en (..) het retentierecht niet opgeheven". Bij dezelfde akte waarin de vrouw wordt aangeduid als "pandgever", de Bank als "pandhouder sub 1" en [eiseres] als "pandhouder sub 2" zijn de Bank en [eiseres] overeengekomen dat [eiseres] de Bank zal dagvaarden voor de bevoegde rechter en dat aan de rechter de volgende vragen zullen worden voorgelegd (waarbij beslissend zou zijn de positie van de pandhouders als ware het hypotheekrecht niet doorgehaald en het retentierecht niet opgeheven):
- hoe groot is de opeisbare vordering van pandhouder sub 2 op pandgever uit hoofde van de aannemingsovereenkomst(en)
- kon pandhouder sub 2 zich rechtsgeldig op een retentierecht op het hypothecaire onderpand beroepen voor vorderingen die de pandhouder sub 2 op de pandgever had;
- zo ja, voor welk bedrag;
- volgens welke rangregeling dient de netto-opbrengst van de verpande goederen verdeeld te worden tussen de pandhouder sub 2 als retentor en de pandhouder sub 1 als hypotheekhouder.
Het gezamenlijke pandrecht van [eiseres] en de Bank is vervolgens vervangen door een pandrecht op de kooppenningen die zijn gestort zijn op een rekening ten name van de vrouw bij de Bank.