ECLI:NL:PHR:2000:AA6232
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid en reikwijdte van bankhypotheek op binnenschip voor toekomstige vorderingen
In deze zaak stond centraal de vraag of een bankhypotheek op een binnenschip mede dekking kan bieden voor toekomstige, nog niet gespecificeerde vorderingen, zonder dat in de hypotheekakte de rente en de vervaldata van die vorderingen worden vermeld, zoals vereist in art. 8:792 BW Pro.
Nedship Bank had hypotheken gevestigd op twee binnenschepen, de Daniëlle en de Mariëlle, waarbij zij zich met voorrang wilde verhalen op de restantopbrengst van de verkoop van de Daniëlle ter zake van een restantvordering op de Mariëlle. De rechtbank had dit afgewezen omdat in de hypotheekakte niet aan de strikte eisen van art. 8:792 BW Pro was voldaan.
De Hoge Raad overwoog dat de eis van afzonderlijke vermelding van rente en vervaldata niet strikt moet worden toegepast op bankhypotheken, omdat deze hypotheken juist bedoeld zijn om toekomstige vorderingen te dekken waarvan rente en vervaldata nog niet bekend zijn bij vestiging. De vermelding van een maximumbedrag in de hypotheekakte is voldoende om derden te beschermen. De Hoge Raad vernietigde het vonnis en besliste dat Nedship zich met voorrang mag verhalen op de restantopbrengst van de Daniëlle.
De uitspraak benadrukt het belang van een praktische en eng-conforme interpretatie van art. 8:792 BW Pro in het licht van het Verdrag van Genève en de financieringspraktijk, waarbij de rechtsgeldigheid van bankhypotheken buiten twijfel wordt gesteld en de bescherming van derden adequaat is gewaarborgd door de eis van een maximumbedrag in de hypotheekakte.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en beslist dat Nedship zich met voorrang mag verhalen op de restantopbrengst van de Daniëlle.