ECLI:NL:PHR:2000:AA6296
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging voortgezet verblijf op grond van Wet Bopz bij psychiatrische stoornis
Op 3 januari 2000 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 15 van Pro de Wet Bopz. De rechtbank heeft op 20 januari 2000 betrokkene, haar advocaat, de behandelend arts en een vertegenwoordiger van de familie gehoord. Vervolgens verleende de rechtbank op 31 januari 2000 de machtiging voor de duur van een jaar.
Betrokkene stelde in cassatie onder meer dat zij niet leed aan dementie, wat werd ondersteund door een medisch rapport van april 1999 waarin sprake was van een manisch depressief ziektebeeld met psychotische fenomenen, en niet van dementie. De Hoge Raad oordeelde dat het waarnemend hoofd medische dienst als geneesheer-directeur in de zin van de Wet Bopz kon worden aangemerkt en dat de rechtbank haar oordeel over de stoornis van de geestvermogens en het gevaar dat daarvan uitgaat voldoende had gemotiveerd.
De Hoge Raad stelde vast dat de psychiatrische stoornis ernstiger was geworden en dat het gevaar voor zelfverwaarlozing en maatschappelijke ondergang door het psychiatrisch ziektebeeld werd veroorzaakt. Het alternatief van thuiszorg was niet haalbaar gebleken vanwege het gedrag van betrokkene. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de machtiging tot voortgezet verblijf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf blijft in stand.