ECLI:NL:PHR:2000:AA6336
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Weigering van verstek wegens te laat cassatieberoep in kort geding
In deze zaak is op 8 februari 2000 cassatieberoep ingesteld tegen een kort geding arrest van het Hof Leeuwarden van 22 december 1999. Verweerders zijn niet verschenen. De Hoge Raad constateert dat het beroep te laat is ingesteld, aangezien de termijn van zes weken volgens artikel 295 lid 4 Rv Pro was verstreken.
De gemachtigde van eiser betoogde dat niet-ontvankelijkverklaring niet op zijn plaats was omdat eiser de zaak pas ongeveer een dag na het verstrijken van de termijn had ontvangen en daarom dacht dat de termijn op 9 februari zou aflopen. De Hoge Raad oordeelt dat eiser had moeten begrijpen dat het beroep te laat was en dat hij dit in de dagvaarding had moeten vermelden zodat de wederpartij hierop had kunnen reageren. Het ontbreken van een dergelijke vermelding maakt het onredelijk om aan het relaas doorslaggevende betekenis te hechten.
Daarnaast zijn de stellingen onvoldoende nauwkeurig om een verlenging van de termijn te rechtvaardigen. Ook een brief van eiser zelf, waarin wordt verwezen naar artikel 6 EVRM Pro en een gesprek met zijn advocaat, leidt niet tot een ander oordeel. De Hoge Raad benadrukt dat fouten van advocaten niet altijd kunnen worden hersteld en dat dit in het belang is van een ordelijk procesverloop.
Daarom wordt het verstek geweigerd en wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn en het verstek wordt geweigerd.