ECLI:NL:PHR:2000:AA6375
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens deelname aan drugshandel en behandelt cassatieprocedure en bewijsgebruik
Verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens deelname aan een organisatie die zich bezighield met de handel in verdovende middelen, in strijd met art. 140 Sr Pro en de Opiumwet. In cassatie werden meerdere middelen aangevoerd, waaronder klachten over het ontbreken van dossierstukken, het verschoningsrecht van een getuige, de dagvaarding en het gebruik van betwiste getuigenverklaringen.
De Hoge Raad oordeelde dat de ontbrekende stukken tijdig waren nagezonden en dat er geen sprake was van schending van de goede procesorde. Het beroep op het verschoningsrecht van een getuige werd niet gegrond verklaard omdat deze slechts weigerde een specifieke vraag te beantwoorden, terwijl hij op andere vragen wel antwoordde. De dagvaarding werd niet nietig verklaard ondanks slordigheden in de formulering van de tenlastelegging, omdat het oogmerk van de organisatie duidelijk was gericht op misdrijven.
Ten aanzien van het bewijs oordeelde de Hoge Raad dat het gerechtshof terecht een in eerste aanleg betwiste verklaring van een getuige in hoger beroep mocht gebruiken, omdat de getuige in hoger beroep dezelfde verklaring had afgelegd en volhardde in zijn eerdere verklaring. Ook werd het gebruik van een in het Duits gesteld stuk voor het bewijs niet onrechtmatig bevonden. Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf.