ECLI:NL:PHR:2000:AA6460

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00796/99 A
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 413 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieverwerping in zaak medeplegen van verkrachting en afpersing op Curaçao

Verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van verkrachting, medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gekwalificeerde diefstal en afpersing door twee of meer verenigde personen.

In cassatie stelde verdachte onder meer dat het bewijs voor de anale verkrachting onvoldoende was omdat de verklaring van de verdachte zelf als schakelbewijs onvoldoende zou zijn, en dat het hof had nagelaten te beslissen op een strafmaatverweer dat was gebaseerd op fouten tijdens de opsporing en voorlopige hechtenis.

De Hoge Raad oordeelde dat de verklaring van verdachte als ooggetuige juist een direct bewijs vormde en dat het hof de bewijsmiddelen naar behoren had gewogen. Ook was in eerste aanleg rekening gehouden met de termijnoverschrijding tijdens het vooronderzoek, zodat het strafmaatverweer geen grondslag had. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen en de veroordeling tot 13 jaar gevangenisstraf bleef in stand.

Conclusie

Nr. 00796/99 A mr Jörg
Zitting 21 maart 2000 Conclusie inzake
[Verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba is verdachte wegens gekwalificeerde diefstal en afpersing door twee of meer verenigde personen, en wegens medeplegen van verkrachting en medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd, veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf.
2. Namens verdachte heeft mr G. Spong, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed nu uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de anale verkrachting door één van de mededaders is gepleegd. De verklaring van de verdachte voor zover inhoudend: ‘…toen zag ik dat die andere man haar van achteren in haar anus verkrachtte’ zou als ‘schakelbewijs’ ontoereikend zijn, nu de verklaring van het slachtoffer of sprake is van een verkrachting op dit onderdeel beslissend moet worden geacht.
4. Ten laste van de verdachte heeft het Gemeenschappelijk Hof onder punt 2 bewezen verklaard:
“2. dat hij op 10 januari 1998 op het eiland Curaçao tezamen en in vereniging met een ander door geweld en bedreiging met geweld een vrouw te weten [het slachtoffer], heeft gedwongen met hem, verdachte, buiten echt vleselijk gemeenschap te hebben, en genitaal-anaal contact en genitaal-oraal contact bestaande dat geweld hierin dat hij, verdachte, en zijn mededader toen aldaar opzettelijk gewelddadig en dreigend de navolgende handelingen hebben gepleegd met voornoemde [slachtoffer]: - het richten en gericht houden van een vuurwapen althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp op of in de richting van [dat slachtoffer], - het vastbinden van haar handen met een draad, en - het duwen van [dat slachtoffer] op een bed, en - het gooien van een dekbed op haar hoofd, en - het uittrekken van haar onderbroek, en - het inbrengen van zijn verdachtes penis in haar vagina, en - het brengen van de penis van zijn mededader in haar anus, en - het inbrengen van zijn mededaders penis in haar mond, en - het dwingen om die penis te likken.”
5. Voor het bewijs van de ‘genitaal anale verkrachting’ heeft het Gemeenschappelijk Hof onder meer de volgende op 14 juli 1998 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte gebezigd:
“Ik heb op 10 januari 1998 een vrouw verkracht. Ik heb mijn penis in haar vagina gestoken en gemeenschap met haar gehad, terwijl zij op haar rug op het bed lag. Voordat ik begon had een andere man de vrouw al gedwongen om hem te pijpen. Terwijl zij dit bij die man deed kwam ik erbij en nam haar van voren. Wij waren toen dus enige tijd tegelijk met haar bezig. Vervolgens stopte ik en toen zag ik dat die andere man haar van achteren in haar anus verkrachtte.”
6. Wat `schakelbewijs’ is legt het middel niet uit, maar ik ga er op grond van de toelichting op het derde middel van mr Spong in HR 1 oktober 1991, NJ 1992, 197 van uit dat hij hiermee indirect bewijs bedoelt. Ik kan echter in boven geciteerde verklaring van verzoeker (in casu als getuige van de handelingen van zijn mededader), waarin hij een visuele waarneming weergeeft, geen indirect bewijs zien; integendeel. Het komt mij voor dat deze verklaring uit de eerste hand een einde kan maken en maakt aan de onzekerheid of daadwerkelijk een anale penetratie heeft plaats gevonden, iets waarover het slachtoffer onzeker is (zie proces-verbaal van getuigenverhoor van de R-C van 25 maart 1998).
7. Het middel gaat eraan voorbij dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Slechts onder bepaalde omstandigheden - die zich hier niet voordoen - behoeft de selectie van de bewijsmiddelen een nadere motivering.1 Het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof dat op grond van voornoemde verklaring van de verdachte bewezen kon worden verklaard dat verdachte met [het slachtoffer] tegen haar wil en onder dreiging en fysieke dwang genitaal-anaal contact heeft gehad is niet onbegrijpelijk.
8.Het middel faalt derhalve.
9.Het tweede middel strekt ten betoge dat het Gemeenschappelijk Hof zou hebben nagelaten te beslissen op een strafmaatverweer. Het vonnis zou aan nietigheid lijden omdat gelet op art. 413, vierde lid, Sv NA een motivering was vereist.
10. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 januari 1999 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Bij de stukken bevindt zich een pleitnotitie die kennelijk een schriftelijke weergave is van de inhoud van de verdediging door de raadsman in hoger beroep. Uit het middel volgt dat het hof zou hebben nagelaten met name op het verweer in het navolgende gedeelte van de pleitnotitie te responderen:
“De Grieven A. De Eerste Rechter heeft ten onrechte de in het vooronderzoek en tijdens de voorlopige hechtenis gemaakte fouten buiten beschouwing gelaten. () Toelichting: Ad grief A.: Door de verdediging is uitdrukkelijk gewezen op vele fouten welke tijdens de opsporing werden gemaakt. De wijze waarop de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis tot stand is gekomen is abominabel en kenmerkt zich door termijnfouten. In een beschikking van Uw Hof ter zake deze termijn overschrijding en subsequente behandelingsfouten is overwogen dat deze tot een verlaging van de strafmaat dienen te leiden. De eerste rechter heeft in haar vonnis geen overwegingen gewijd aan haar weigering zulks te doen. Dit ten onrechte. Nu door haar de gevorderde straf werd opgelegd, diende zij aan te geven waarom deze fouten niet als strafverlagende omstandigheid, als bedoeld in artikel 413 Sv Pro, zijn behandeld.”
11. Blijkens het vonnis in eerste aanleg heeft het Gerecht in eerste aanleg onder het kopje De op te leggen straf onder meer overwogen dat rekening is gehouden met de termijnoverschrijding welke in het vooronderzoek heeft plaatsgevonden. Het middel mist derhalve in zoverre feitelijke grondslag.
12. Voor zover het middel klaagt over ‘vele fouten welke tijdens de opsporing werden gemaakt’, kan het niet tot cassatie leiden nu een dergelijke algemene verwijzing naar een pleitnota in eerste aanleg, niet kan gelden als een uitdrukkelijke herhaling van een in die pleitnota gevoerde verweren.2
13. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. Ook ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
HR 9 december 1986, NJ 1987, 561, m.nt. ThWvV; HR 14 maart 1989, NJ 1989, 747; HR 13 mei 1997, NJ 1998, 318, m.nt. Sch.
2 Zie HR 3 maart 1998, NJ 1999, 59; HR 30 juni 1998, NJ 1999, 60, m.nt. Kn onder voornoemde arresten; HR 16 maart 1999, NJ 1999, 369