ECLI:NL:PHR:2000:AA6530

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/075HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet BopzArt. 1:431 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling machtiging tot voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis bij ernstige geestesstoornis

Verzoekster verbleef in het psychiatrisch ziekenhuis Spectrum Gelderland Oost en werd geconfronteerd met een machtiging tot voortgezet verblijf wegens een ernstige geestesstoornis. De rechtbank Zutphen verleende deze machtiging voor zes maanden op basis van een medische verklaring en verhoren. Verzoekster stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, stellende dat de motivering onvoldoende was en dat er geen nader onderzoek was gedaan naar de procedure tot onderbewindstelling.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank haar oordeel niet uitsluitend baseerde op de verhoren, maar ook op een gedetailleerde medische verklaring waaruit een ernstige waanstoornis bleek. De rechtbank had tevens rekening gehouden met de maatschappelijke en financiële situatie van verzoekster, waarbij het gevaar van maatschappelijke tenondergang en agressie bij ontslag werd onderstreept.

Verder was de rechtbank op de hoogte van de procedure tot onderbewindstelling en achtte het niet verantwoord de machtiging te weigeren zolang deze procedure niet was afgerond. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de machtiging tot voortgezet verblijf.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf wordt bevestigd.

Conclusie

R 00/075 HR Mr. Langemeijer
Parket, 23 juni 2000 Conclusie inzake:
[Verzoekster]
Edelhoogachtbaar College,
In deze Bopz-zaak wordt een machtiging tot voortgezet verblijf bestreden met motiveringsklachten.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Op 26 april 2000 heeft de officier van justitie in het arrondissement Zutphen een vordering ingediend, strekkende tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van (thans) verzoekster tot cassatie, verblijvende in psychiatrisch ziekenhuis “Spectrum Gelderland Oost” te Warnsveld.
1.2. Bij de stukken is overgelegd een op 25 april 2000 ondertekende en met redenen omklede verklaring van de geneesheer-directeur van bovengenoemd ziekenhuis.
1.3. Op 28 april 2000 zijn gehoord: verzoekster, haar raadsman mr. P.A. Roscam Abbing alsmede drs. B.S. Resida, arts in voornoemde instelling, en G. Hissink-Rouwenhorst, verpleegkundige.
1.4. Bij beschikking van 28 april 2000 heeft de rechtbank te Zutphen de gevorderde machtiging verleend voor de duur van zes maanden.
1.5. Tegen deze beschikking heeft verzoekster tijdig cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één middel van cassatie.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het cassatiemiddel richt zich met twee motiveringsklachten tegen het oordeel van de rechtbank dat zij op grond van de overgelegde stukken en de door haar gehouden verhoren en verkregen inlichtingen tot de overtuiging is gekomen, dat de stoornis van de geestvermogens van betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en ook dan gevaar zal veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen en instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend (rov. 1; vgl. art. 15 Wet Pro Bopz). De derde klacht betreft de afwezigheid van een nader onderzoek naar de procedure tot onderbewindstelling.
2.2. In de eerste plaats wordt geklaagd dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet met zoveel woorden blijkt dat verzoekster aan een stoornis van de geestvermogens lijdt. Deze klacht miskent dat de rechtbank haar oordeel niet uitsluitend heeft gebaseerd op de inlichtingen, welke uit het verhoor zijn verkregen, maar ook op de inhoud van de geneeskundige verklaring. Uit de geneeskundige verklaring, rubriek 3c, blijkt dat bij verzoekster sprake is van een ernstige waanstoornis dan wel van een schizofrene stoornis van het paranoïde type. Deze diagnose heeft de rechtbank in haar tweede en derde rechtsoverweging overgenomen. In de rubrieken 4d en 6 van de geneeskundige verklaring komt deze diagnose terug, onder de toevoeging dat ziektebesef volledig ontbreekt en verzoekster ondanks herhaalde pogingen alle medewerking weigert. Nu uit de stukken duidelijk blijkt welke geestesstoornis de rechtbank voor ogen heeft gehad, faalt de klacht. Uit het proces-verbaal blijkt bovendien dat de stoornis ter terechtzitting is besproken: zo is aan de hand van aantekeningen in het dossier het gedrag van verzoekster tegenover anderen in de instelling besproken; ook heeft de verpleegkundige aangegeven dat verzoekster het aangeboden eten op de afdeling weigert omdat zij het waanidee heeft dat zij hiermee vergiftigd zal worden.
2.3. In de tweede plaats wordt geklaagd dat niet duidelijk is de overweging van de rechtbank dat bij het verlaten van de inrichting door verzoekster gevaar zou ontstaan voor verdere verslechtering van de financiële positie en haar maatschappelijke tenondergang.
2.4. De rechtbank heeft overwogen:
“Bij opname was sprake van een toenemende maatschappelijke ontsporing, waarbij rekeningen structureel onbetaald bleven als gevolg waarvan grote schulden (onder meer een huurschuld) waren ontstaan. Als gevolg van betrokkenes gedragstoornissen heeft de woonomgeving zich voorts in sterke mate tegen haar gekeerd. Betrokkene heeft momenteel geen eigen woonruimte meer.
Betrokkene heeft nog steeds waanideeën ten aanzien van vergiftiging van het aangeboden voedsel en achterdocht ten opzichte van het personeel. Betrokkene heeft geen enkel ziektebesef en heeft het idee dat iedereen een complot tegen haar vormt.
Betrokkene heeft schulden, maar heeft verder geen inzicht in haar huidige financiële situatie. Zij ontvangt een AOW-uitkering, maar weet niet op welke rekening dit geld wordt gestort. Door het maatschappelijk werk is een procedure tot ondercuratelestelling gestart, welke inmidels blijkt te zijn omgezet in een verzoek tot onderbewindstelling. Deze procedure is tot op heden niet afgerond.”
2.5. Deze overwegingen kunnen het oordeel van de rechtbank dragen en behoefden m.i. geen verdere toelichting om begrijpelijk te zijn. Uit de toelichting op de klacht valt op te maken, dat het verzoekster er thans met name om gaat, dat het gevaar voor verdere verslechtering van haar financiële positie ook op een andere wijze kan worden afgewend: enerzijds doordat zij een AOW-uitkering heeft, anderzijds door deskundige begeleiding bij een schuldsanering.
2.6. Uit de bestreden beschikking wordt duidelijk dat de rechtbank rekening wil houden met de mogelijkheid dat via een onderbewindstelling op termijn een oplossing kan worden gevonden voor ten minste een gedeelte van de problemen van verzoekster (m.n. de financiële problemen), maar het op dit moment niet verantwoord vindt de gevorderde machtiging te weigeren omdat verzoekster in dat geval direct zou worden blootgesteld aan het gevaar van maatschappelijke tenondergang en aan het gevaar dat verzoekster door haar gedrag agressie van anderen tegen zich zal oproepen. Dit oordeel strookt met de inhoud van de geneeskundige verklaring (i.h.b. rubriek 4a) en met het overgelegde behandelplan. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verzoekster, desgevraagd, verklaard niet te weten waarheen zij zou gaan indien zij de instelling zou mogen verlaten. Doordat haar ruiten waren ingegooid, moest zij haar woonplaats verlaten. Zij voelt naar haar zeggen zich uit haar huis weggewerkt door leugens van anderen. De bij het verhoor aanwezige arts heeft aangegeven dat binnen de afdeling de gedachte leeft dat voor betrokkene thuis verwaarlozing zou kunnen optreden en opnieuw problemen met buren verwacht worden. De aanwezige verpleegkundige heeft daaraan toegevoegd dat verzoekster het personeel van de instelling vooral communicatief nodig heeft omdat buiten de medische branche weinig begrip bestaat voor de stoornis zoals verzoekster die heeft. In het licht van dit alles is het hierboven genoemde oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk.
2.7. In de derde plaats wordt geklaagd dat de rechtbank nader onderzoek had moeten verrichten naar de vraag hoever de onderbewindstelling is gevorderd. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu uit het proces-verbaal (blz. 3) blijkt dat de rechtbank bij de verpleegkundige heeft geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot de procedure tot onderbewindstelling. Gezien de toelichting op deze klacht, bedoelt verzoekster dat, omdat de onderhavige machtiging voor slechts zes maanden is verleend, er vaart gezet moet worden achter de aanvraag van een onderbewindstelling (art. 1:431 BW Pro), wil men voorkómen dat na het verstrijken van de periode van zes maanden het uitblijven van een onderbewindstelling een reden zal vormen opnieuw een machtiging tot voortgezet verblijf te geven. Dit argument behoefde de rechtbank niet van de thans bestreden beslissing te weerhouden: op dit moment kon volgens de rechtbank het gevaar in elk geval niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis worden afgewend.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,