1) Eiser tot cassatie, verder te noemen [eiser], heeft als advocaat verweerder in cassatie, verder te noemen [verweerder], bijgestaan in een procedure tegen diens arbeidsongeschiktheidsverzekeraar Aegon. In die procedure was aan de orde de vraag of [verweerder] ten gevolge van een ongeval in 1981 ook vanaf 1 juni 1984 nog in een bepaalde mate arbeidsongeschikt was, hetgeen Aegon betwistte. Na een deskundigenonderzoek door één deskundige heeft de rechtbank [verweerder] in het gelijk gesteld.
In appèl heeft het hof bij arrest van 15 juli 1992 een nieuw deskundigenonderzoek gelast, ditmaal door drie deskundigen. Daarop stelde [verweerder] echter de voorwaarde dat de deskundigen het onderzoek met audio-videoregistratie zouden verrichten. In ieder geval twee van de drie deskundigen bleken daartoe niet bereid. De raadsheer-commissaris heeft in een brief van 21 augustus 1992 aan [eiser] te kennen gegeven dat het raadzaam zou zijn indien [verweerder] zijn standpunt met betrekking tot de audio-videoregistratie zou wijzigen. [Eiser] heeft daarop bij brief van 7 september 1992 geantwoord dat hij overleg met [verweerder] had gehad en dat sprake was van een absolute voorwaarde, die [verweerder] onder geen beding zou laten vallen. De reden daarvoor heeft [eiser] uiteengezet in zijn akte na niet-gehouden deskundigenbericht.
Het hof heeft toen geen eindarrest gewezen, maar bij arrest van 16 december 1992 [verweerder] in de gelegenheid gesteld het hof een voordracht te doen van deskundigen die bereid waren hun onderzoek met audio-videoregistratie te verrichten. Op 22 december 1992 heeft [eiser] aan [verweerder] meegedeeld dat zij er tot dusverre niet in geslaagd waren om namen van deskundigen op te geven die aan de door [verweerder] gestelde voorwaarden wilden voldoen en hem, ‘aannemende dat dit zo zou blijven’, ‘ernstig in overweging’ gegeven de meerbedoelde voorwaarde te laten vallen, omdat anders de procedure nadelig voor hem zou aflopen. [Eiser] stelde daarbij voor om hem drie geschikte kandidaat-deskundigen aan te laten zoeken, ‘ditmaal zonder de extra door u opgelegde voorwaarde’. [Verweerder] is daarop niet ingegaan, waarna [eiser] heeft getracht drie deskundigen te vinden die wèl aan de voorwaarde wilden voldoen.
Bij akte van 24 februari 1993 heeft [eiser] drie namen van deskundigen opgegeven hoewel op dat moment nog niet (voldoende) duidelijk was of die deskundigen (allen) aan de voorwaarde van [verweerder] wilden voldoen. Op 2 maart 1993 heeft [eiser] [verweerder] geschreven dat één van de deskundigen niet bereid was het onderzoek onder de gestelde voorwaarde te verrichten (productie 6 bij CvR in conventie). ‘Mocht het Hof toch tot het benoemen van deze deskundigen komen, dan zitten wij dus opnieuw met een probleem. Misschien moeten wij alvast maar eens verder kijken’, aldus [eiser] in deze brief. Op 12 mei 1993 zijn de stukken gefourneerd ter fine van arrest.
Alvorens het hof arrest wees, heeft de raadsheer-commissaris bij brief van 2 juni 1993 aan [eiser] meegedeeld dat het hof verklaringen van de deskundigen verlangde, waaruit ondubbelzinnig bleek dat zij bereid waren hun onderzoek te verrichten met audio-videoregistratie. [Eiser] heeft [verweerder] hiervan bij fax van 17 juni in kennis gesteld onder bijsluiting van bovengenoemde brief van de raadsheer-commissaris. Eind juni/begin juli heeft de griffie van het hof [eiser] telefonisch gerappelleerd voor wat betreft de bereidverklaringen. Bij brief van 27 augustus 1993 heeft de raadsheer-commissaris [eiser] een termijn aangezegd tot 22 september 1993 om de verlangde verklaringen ter griffie te deponeren, bij gebreke waarvan het hof tot het wijzen van arrest zou overgaan, waarbij werd meegedeeld dat het ontbreken van de verklaringen hoogstwaarschijnlijk tot nadeel van [verweerder] zou meewegen. [Eiser] stelt deze brief, waarvan een kopie naar de raadsman van Aegon werd verzonden, niet te hebben ontvangen. Bij brief van 30 augustus 1993 aan de raadsheer-commissaris heeft de raadsman van Aegon, onder verwijzing naar voormelde brief van 27 augustus, verzocht de zaak naar de rol te verwijzen indien [eiser] de door het hof verlangde verklaringen zou overleggen, zodat hij gelegenheid zou krijgen zich daarover uit te laten. Een kopie van die brief werd aan [eiser] verzonden, doch ook deze brief stelt hij niet te hebben ontvangen.
Ter rolle van 15 september 1993 heeft het hof de uitspraak van het arrest aangehouden tot 12 januari 1994. Het hof heeft evenwel bij vervroeging op 20 oktober 1993 arrest gewezen en het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het arrest is in kracht van gewijsde gegaan. Uit hoofde hiervan maakt Aegon jegens [verweerder] aanspraak op terugbetaling van ten onrechte uitgekeerde schadepenningen ad ¦ 234.151,95.
Op 21 oktober heeft [eiser] - naar zijn stelling onkundig van het daags daarvoor gewezen arrest - [verweerder] schriftelijk erop gewezen dat hij tot op heden niet kan voldoen aan het verzoek verklaringen over te leggen van deskundigen, waarin wordt aangegeven dat zij bereid zijn aan de door [verweerder] gestelde voorwaarden te voldoen, en dat [verweerder] ‘het risico loopt’ dat het hof in zijn nadeel zal beslissen indien niet aan het verzoek zal worden voldaan. In het ergste geval zal dit kunnen betekenen dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd, aldus [eiser] in deze fax. Vervolgens verzoekt hij [verweerder] contact op te nemen met diens huisarts teneinde ‘u over te halen de bijzonder voorwaarde te laten vallen’. Tot slot wijst [eiser] [verweerder] erop dat het hof de uitspraak heeft aangehouden tot 12 januari 1994 zodat zij nog even tijd hebben.