ECLI:NL:PHR:2000:AA7048
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vordering tot schadevergoeding wegens seksueel misbruik: toepassing en uitleg van verjaringsregels
De dochter stelde een vordering tot schadevergoeding in wegens seksueel misbruik gepleegd door haar vader tussen circa 1978 en 1983. De vader voerde verjaring aan op grond van art. 3:310 lid 1 BW Pro, stellende dat de vordering meer dan vijf jaar na bekendheid met de schade was ingesteld.
Rechtbank en hof oordeelden dat de vordering verjaard was en dat het nieuwe vierde lid van art. 3:310 BW Pro, dat een langere verjaringstermijn voor minderjarige slachtoffers van zedendelicten introduceert, niet van toepassing was omdat de vordering vóór de inwerkingtreding daarvan al verjaard was. De dochter stelde dat zij pas later tot het instellen van de vordering in staat was door een langdurig verwerkingsproces.
De Hoge Raad overweegt dat het hof het overgangsrecht onjuist heeft toegepast door niet te onderzoeken of de vordering op 1 september 1994 volgens het toen geldende recht al verjaard was. De nieuwe regeling geldt immers ook voor strafbare feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding, tenzij de vordering toen al verjaard was. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat de verjaringstermijn pas aanvangt wanneer het slachtoffer in staat is de vordering geldend te maken, rekening houdend met het verwerkingsproces.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling, waarbij de redelijkheid en billijkheid en het verwerkingsproces in aanmerking moeten worden genomen. Hiermee wordt beoogd de belangen van minderjarige slachtoffers beter te beschermen tegen verjaring.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor herbeoordeling van de verjaring onder het nieuwe vierde lid van art. 3:310 BW.