ECLI:NL:PHR:2000:AA7104
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken advocaat bij Hoge Raad
Verzoeker tot cassatie heeft op 9 april 2000 een fax ingediend, gevolgd door de originele brief op 11 april 2000, waarin cassatie werd verzocht tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 6 april 2000. Deze beschikking bekrachtigde een eerdere beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 november 1999, waarin een verzoek op grond van artikel 23 lid 1 van Pro de Wet politieregisters gedeeltelijk werd toegewezen.
De griffier van de Hoge Raad heeft verzoeker bij brief van 10 april 2000 gewezen op de noodzaak om een advocaat te stellen voor de procedure bij de Hoge Raad. Verzoeker heeft echter bij brief van 11 april 2000 laten weten het verzoek tot cassatie te handhaven zonder advocaat.
Omdat het verzoekschrift tot cassatie niet door een advocaat bij de Hoge Raad is ondertekend, zoals vereist is op grond van artikel 426a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep. De uitzondering in artikel 34 lid 6 van Pro de Wet persoonsregistratie, die in artikel 23 lid 2 van Pro de Wet politieregisters van overeenkomstige toepassing is verklaard, ziet slechts op de procesvertegenwoordiging in de procedure voor de feitelijke instanties en niet op de procedure bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad.