ECLI:NL:PHR:2000:AA7104

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/046HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 lid 1 Wet politieregistersArt. 23 lid 2 Wet politieregistersArt. 34 lid 6 Wet persoonsregistratieArt. 426a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken advocaat bij Hoge Raad

Verzoeker tot cassatie heeft op 9 april 2000 een fax ingediend, gevolgd door de originele brief op 11 april 2000, waarin cassatie werd verzocht tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 6 april 2000. Deze beschikking bekrachtigde een eerdere beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 november 1999, waarin een verzoek op grond van artikel 23 lid 1 van Pro de Wet politieregisters gedeeltelijk werd toegewezen.

De griffier van de Hoge Raad heeft verzoeker bij brief van 10 april 2000 gewezen op de noodzaak om een advocaat te stellen voor de procedure bij de Hoge Raad. Verzoeker heeft echter bij brief van 11 april 2000 laten weten het verzoek tot cassatie te handhaven zonder advocaat.

Omdat het verzoekschrift tot cassatie niet door een advocaat bij de Hoge Raad is ondertekend, zoals vereist is op grond van artikel 426a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep. De uitzondering in artikel 34 lid 6 van Pro de Wet persoonsregistratie, die in artikel 23 lid 2 van Pro de Wet politieregisters van overeenkomstige toepassing is verklaard, ziet slechts op de procesvertegenwoordiging in de procedure voor de feitelijke instanties en niet op de procedure bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad.

Conclusie

Rek.nr. R00/046 HR
Parket, 1 mei 2000
Mr ten Kate
Conclusie inzake
[verzoeker]
verzoeker
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker tot cassatie heeft bij een op 9 april 2000 ingekomen fax, gevolgd door de originele brief op 11 april 2000, cassatie verzocht van de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 6 april 2000. Deze beschikking bekrachtigt een beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 23 november 1999. Daarbij heeft de rechtbank een verzoek als bedoeld in art. 23 lid 1 van Pro de Wet politieregisters gedeeltelijk toegewezen.
Verzoeker is door de griffier van de Hoge Raad bij brief van 10 april 2000 gewezen op de noodzaak advocaat te stellen, maar hij heeft bij brief van 11 april 2000 te kennen gegeven dat hij zijn verzoek handhaaft.
2. Nu het verzoekschrift tot cassatie is ingediend door verzoeker zelf en niet - zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv - is getekend door een advocaat bij de Hoge Raad, is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Hieraan doet niet af dat ingevolge art. 34 lid 6 van Pro de Wet persoonsregistratie, dat in art. 23 lid 2 van Pro de Wet politieregisters van overeenkomstige toepassing is verklaard, in verzoekschriftprocedures als bedoeld in art. 34 het Pro verzoekschrift niet door een procureur behoeft te worden ingediend en getekend, nu deze bepaling slechts betrekking heeft op de procesvertegenwoordiging in de procedure voor de feitelijk instanties: HR 11 december 1998, R98/123, NJ 1999, 448 en HR 18 juni 1999, R99/054, NJ 1999, 629.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,