ECLI:NL:PHR:2000:AA7105

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/038HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 FaillissementswetArt. 16 Verdrag inzake betekening en kennisgeving 1965Art. 11 Wet van 8 januari 1975 tot uitvoering van het Verdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid verzet tegen faillissementsvonnis en toepassing betekeningverdrag

De vennootschap onder firma Jerusalem Bakery B.V. en haar beherende vennoten zijn bij vonnis van 28 september 1999 failliet verklaard. Dit vonnis is op 17 december 1999 betekend aan een vennoot in België. Vervolgens heeft deze vennoot op 24 december 1999 verzet ingesteld tegen het vonnis.

De rechtbank verklaarde het verzet niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de in de Faillissementswet voorgeschreven termijn van één maand voor het instellen van verzet, aangezien de schuldenaar zich tijdens de uitspraak niet binnen Nederland bevond. Het hof bekrachtigde deze beslissing bij arrest van 7 maart 2000.

De Hoge Raad overweegt dat het Verdrag inzake de betekening en kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke stukken van 1965 van toepassing is, maar dat de schuldenaar geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een nieuwe termijn te verzoeken. Ook is het verweer dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden ongegrond, omdat het hof niet bevoegd was dit te beoordelen zolang het verzet niet ontvankelijk is verklaard. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzet tegen het faillissementsvonnis blijft niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Conclusie

Rek.nr. R00/038HR
Parket, 9 mei 2000
Mr Strikwerda
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
1. Stichting Sociaal Vormings-
en Ontwikkelingsfonds in het
Bakkersbedrijf
2. Stichting Bedrijfspensioenfonds
voor het Bakkersbedrijf
3. Stichting Uittreden Brood- en Banketbakkersbedrijf, Subroba
Edelhoogachtbaar College,
1. Op verzoek van verweersters in cassatie, hierna: de Stichtingen, zijn bij vonnis van de Rechtbank te Amsterdam d.d. 28 september 1999 in staat van faillissement verklaard de vennootschap onder firma Jerusalem Bakery B.V. i.o., alsmede haar beherende vennoten [..] en - bij verstek - [..], verzoeker van cassatie.
2. Het vonnis is op 17 december 1999 door een Belgische deurwaarder aan [verzoeker] op zijn woonadres te [woonplaats], België, betekend.
3. Bij een op 24 december 1999 ter griffie van genoemde Rechtbank ingekomen verzoekschrift is [verzoeker] in verzet gekomen tegen het vonnis van 28 september 1999.
4. Bij beschikking van 14 januari 2000 heeft de Rechtbank [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzet wegens overschrijding van de in art. 8 lid 2 Fw Pro voor het instellen van dit rechtsmiddel in een geval als het onderhavige, waarin de schuldenaar tijdens de uitspraak zich niet binnen het Rijk in Europa bevindt, voorgeschreven termijn van één maand na de dag der uitspraak.
5. Op het door [verzoeker] tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 7 maart 2000 de uitspraak van de Rechtbank, die het Hof heeft gelezen en verbeterd als zijnde een vonnis, bekrachtigd.
6. [Verzoeker] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. De Stichtingen hebben geen verweerschrift in cassatie ingediend.
7. Middel I (cassatierekest, blz. 5) klaagt, als ik het goed zie, dat het Hof ten onrechte in de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien om [verzoeker], ondanks de overschrijding van de door de wet voorgeschreven termijn voor het instellen van dat rechtsmiddel, ontvankelijk te achten in zijn verzet.
8. [Verzoeker] had onder meer aangevoerd (grief 2) dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] voor de eerste behandeling van het verzoekschrift tot faillietverklaring op de bij de wet voorgeschreven wijze is opgeroepen. Hij stelde dat hij de volgens de Rechtbank door de faillissementsgriffie per aangetekende brief aan zijn woonadres verzonden oproeping voor de eerste behandeling van het faillissementsrekest niet heeft ontvangen en dat hij ook onkundig is gebleven van de zittingen na de eerste behandeling. Voorts had [verzoeker] aangevoerd (grief 5) dat de Rechtbank eraan voorbij is gegaan dat [verzoeker] (ruim) binnen één maand, nadat hij van het vonnis van faillietverklaring kennis heeft genomen (en redelijkerwijs kennis kon nemen) in verzet is gekomen.
9. Het middel faalt. Op de onderhavige kwestie is het op 15 november 1965 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, Trb. 1966, 91, zowel materieel (faillissementsprocedures zijn van het toepassingsgebied van het verdrag niet uitgesloten) als formeel ([verzoeker] heeft een bekend adres in een andere verdragsluitende staat, België; zie art. 1) van toepassing. Art. 16 van Pro dit verdrag jo. art. 11 van Pro de Wet van 8 januari 1975 tot uitvoering van het verdrag, Stb. 1975, 5, biedt de verweerder tegen wie bij verstek uitspraak is gedaan en die stelt niet de gelegenheid te hebben gehad zich te verweren, doordat het stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk hem niet (tijdig) heeft bereikt, de gelegenheid de rechter, indien de termijn waarbinnen een rechtsmiddel had moeten worden aangewend inmiddels is verstreken, te verzoeken hem een nieuwe termijn toe te staan binnen welke hij het rechtsmiddel alsnog kan aanwenden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat [verzoeker] van deze gelegenheid gebruik gemaakt heeft. Er is reeds daarom geen grond om, zoals [verzoeker] kennelijk wenst, af te wijken van het in art. 8 lid 2 Fw Pro voorgeschreven aanvangstijdstip van de verzettermijn, zodat 's Hofs oordeel, wat er ook zij van de gronden waarop het berust, juist is.
10. Middel II (cassatierekest, blz. 16) klaagt dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, nu [verzoeker], hoewel daarom niet is gevraagd, failliet is verklaard.
11. Ook dit middel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Waar 's Hof oordeel dat [verzoeker] in zijn verzet niet kan worden ontvangen in cassatie stand kan houden, was het Hof niet bevoegd, laat staan gehouden, te onderzoeken of de Rechtbank in haar vonnis waartegen verzet al dan niet terecht heeft geoordeeld dat het door de Stichtingen ingediende verzoekschrift mede strekte tot de faillietverklaring van [verzoeker].
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,