ECLI:NL:PHR:2000:AA7106
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling appellabiliteit en ontvankelijkheid hoger beroep bij vordering tot afgifte boiler en schadevergoeding
De zaak betreft een geschil tussen BSI, eigenaar van een boiler, en eiser die de boiler in een woonhuis had zonder huurovereenkomst. BSI vorderde terugname van de boiler en schadevergoeding wegens gederfde huur en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter verklaarde zich bevoegd en wees de vorderingen grotendeels toe, waarna eiser hoger beroep instelde.
De rechtbank verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de waarde van de vordering, begroot op het moment van het instellen van het hoger beroep, onder de appelgrens van ƒ 2.500,-- bleef. Eiser stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte de appellabiliteit aan die waarde had getoetst en dat feitelijke ontwikkelingen na het vonnis niet relevant zijn.
De Hoge Raad bevestigde dat voor de appellabiliteit de waarde van de vordering waarover de kantonrechter heeft geoordeeld bepalend is, niet de waarde op het moment van hoger beroep. Ook is het niet relevant dat eiser al aan het vonnis had voldaan. Voorts oordeelde de Hoge Raad dat het hoger beroep tegen een beslissing over absolute bevoegdheid (art. 157b Rv) alleen mogelijk is als het eindvonnis appellabel is, waarmee de hoofdregel geldt dat het lot van het tussenvonnis volgt van het eindvonnis. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter is niet ontvankelijk verklaard omdat de waarde van de vordering onder de appelgrens blijft.