ECLI:NL:PHR:2000:AA7234

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01226/99
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 onder B OpiumwetArt. 3 lid 1 onder C OpiumwetArt. 2.4.16 juncto art. 6.1 APV Zutphen 1992Art. 62 SrArt. 90 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens onjuiste kwalificatie en strafoplegging in diefstal en Opiumwetzaak

Het Gerechtshof Arnhem heeft verzoeker veroordeeld voor diefstal door middel van verbreking en valse sleutels, opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro B van de Opiumwet, poging tot zware mishandeling en overtreding van de APV Zutphen 1992. Verzoeker werd veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf en schadevergoedingen.

De Hoge Raad stelde vast dat het Hof een onjuiste kwalificatie had gegeven aan het Opiumwetfeit; het bewezen verklaarde handelen betrof opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro C Opiumwet. Tevens werd geoordeeld dat het Hof ten onrechte art. 62 Sr Pro niet had aangehaald, waardoor de strafoplegging voor de overtreding onjuist was.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het gebruik van valse sleutels in de zin van art. 90 Sr Pro niet kon worden uitgebreid tot het enkel aansluiten van elektriciteitskabels, maar dat de verbreking van zegels op de stoppenkast het strafbare feit vormde. Het arrest werd vernietigd en verwezen voor hernieuwde berechting, waarbij de kwalificaties en strafoplegging opnieuw moeten worden vastgesteld.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting wegens onjuiste kwalificatie en strafoplegging.

Conclusie

Mr Wortel
Nr. 01226/99
Zitting: 6 juni 2000
Conclusie inzake:
[verdachte=verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verzoeker wegens 1) diefstal door
middel van verbreking en valse sleutels, 2) opzettelijk handelen in strijd
met art. 3 lid 1 onder Pro B Opiumwet, 3) poging tot zware mishandeling en
4) handelen in strijd met art. 2.4.16 juncto art. 6.1. APV Zutphen 1992,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. Voorts heeft het
Hof verzoeker veroordeeld tot betaling van toegewezen vorderingen van
benadeelde partijen en ter zake schadevergoedingsmaatregelen
opgelegd, met de gebruikelijke bepaling dat het voldoen aan één van de
betalingsverplichtingen telkens de andere zal doen vervallen.
2. Uit in het dossier gevoegde correspondentie en inleidende opmerkingen in de
cassatieschriftuur valt op te maken dat het gaat om één van twee arresten die het
Hof op dezelfde dag tegen verzoeker heeft gewezen, terwijl ook de behandeling ter
zitting gelijktijdig heeft plaatsgevonden. De aantekening betreffende het door
verzoeker (terwijl hij in een penitentiaire inrichting verbleef) ingestelde
cassatieberoep vermeldt slechts één arrest, aangeduid met het parketnummer van
de andere zaak. In bedoelde correspondentie en opmerkingen wordt gesteld dat
verzoeker heeft beoogd ook (en met name) tegen het onderhavige arrest cassatie
in te stellen, hetgeen het Hof bij het uitwerken van de uitspraken en insturen van
de dossiers van verzoeker heeft aangenomen. Mijnerzijds acht ik dat eveneens
aannemelijk, en meen daarom dat verzoeker ook in de onderhavige zaak
ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.
Namens verzoeker heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te
Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof een onjuiste kwalificatie heeft
gegeven aan hetgeen als tweede feit werd bewezen verklaard. Die klacht is juist:
bewezen verklaard is het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten, terwijl
dat is gekwalificeerd als overtreding van een in artikel 3 lid 1 onder Pro B van de
Opiumwet gegeven verbod. Die misslag zal verzoeker geen voordeel kunnen
brengen, aangezien de Hoge Raad de kwalificatie zal kunnen verbeteren, zodat zij
zal luiden:
"Opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro C Opiumwet."
4. Het tweede middel bevat de klacht dat in de bestreden uitspraak ten onrechte
art. 62 Sr Pro niet is aangehaald.
Ook die klacht is terecht voorgesteld. Kennelijk is uit het oog verloren dat
mede een overtreding is bewezen verklaard. Het kan bovendien niet
blijven bij de enkele vaststelling dat er een (herstelbare) omissie heeft
plaatsgevonden. De samenloopsbepaling van art. 62 Sr Pro schrijft voor, ook
bij meerdaadse samenloop van een overtreding met misdrijven, voor de
overtreding afzonderlijk straf te bepalen. Het Hof heeft één hoofdstraf
opgelegd in de vorm van gevangenisstraf, een strafsoort die op de
bewezen verklaarde overtreding niet toepasselijk kan zijn. Overtreding
van art. 2.4.16 APV Zutphen 1992 kan volgens het in dit geval
toepasselijke art. 6.1 APV Zutphen 1992 worden bestraft met hechtenis
van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede
categorie. 1
5. Het is zeer wel denkbaar dat het Hof, gelet op de aard van de bewezen
verklaarde misdrijven, de daarvoor reeds bepaalde straf en de
omstandigheid dat (zo blijkt uit het in eerste aanleg gewezen vonnis) één
der door verzoeker te betalen vorderingen van een benadeelde partij
betrekking heeft op de bewezen verklaarde overtreding, heeft geoordeeld
dat ter zake van die overtreding afgezien diende te worden van het
opleggen van een straf. Het gaat mij te ver de Hoge Raad voor te stellen
daarvan uit te gaan (en hetzij te beslissen dat verzoeker bij de klacht
geen redelijk belang kan hebben, hetzij de bestreden uitspraak in deze
zin aan te vullen) omdat art. 9a Sr evenmin is genoemd bij de wettelijke
bepalingen die aan de strafoplegging ten grondslag liggen. Vernietiging en
verwijzing zullen moeten volgen, opdat alsnog zal worden vastgesteld
welke straf ter zake van de overtreding, ook met het oog op de voor de
overige feiten bepaalde straf en de toegepaste maatregelen, dient te
worden opgelegd.
6. Het derde middel bevat de klacht dat art. 91 Sv Pro ten onrechte niet is
aangehaald. Bedoeld zal zijn art. 91 Sr Pro. Het middel faalt, omdat in een
uitspraak die een veroordeling inhoudt slechts die bepalingen dienen te
worden aangehaald die de onmiddellijke grondslag daarvan vormen,
hetgeen dient te worden verstaan als: de bepalingen waarin de
overtreden gebods- of verbodsnorm is vastgelegd en de bepalingen
waarin tegen die overtreding straf is bedreigd.2
7. In het vierde middel wordt geklaagd over schending van het recht op
berechting binnen een redelijke termijn, omdat de stukken niet binnen
acht maanden na het instellen van cassatie door de Hoge Raad zouden
zijn ontvangen.
Blijkens de toelichting heeft de steller van het middel niet de moeite
genomen te onderzoeken op welke datum de stukken de Hoge Raad
hebben bereikt, maar is hij afgegaan op een vermoeden dat hij ontleende
aan het tijdstip waarop de in art. 435 Sv Pro bedoelde aanzegging heeft
plaatsgevonden.
Het middel faalt bij gebreke aan feitelijke grondslag. Desgewenst zal de
steller ervan dit ook zelf alsnog kunnen vaststellen.
8. Het vijfde middel klaagt erover dat de bewezenverklaring van het onder
1 tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed, voorzover
bewezen is verklaard dat verzoeker electriciteit heeft weggenomen die hij
door middel van een 'valse sleutel' onder zijn bereik heeft gebracht.
9. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker ten behoeve van een
hennepkwekerij electriciteit heeft afgetapt vanuit een hoofdstoppenkast. Verzoeker
heeft daartoe de hoofdstoppenkast opengemaakt, daarbij een verzegeling
verbrekend, en vervolgens kabels aangesloten om de stroom te kunnen aftappen.
10. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het aanbrengen van
(electriciteits)kabels op een meterkast niet kan worden aangemerkt als het
gebruiken van een valse sleutel. In dat verband wordt opgemerkt dat 'electriciteit
nu eenmaal alleen via een kabel te transporteren valt', en dat het spraakgebruik
(bedoeld zal zijn: de betekenis van het begrip 'valse sleutel') al te zeer zou worden
opgerekt indien de enkele omstandigheid dat electriciteitskabels onbevoegd zijn
aangebracht zou meebrengen dat zij als valse sleutel worden aangemerkt.
11. Praktisch gesproken zal de beslissing op deze klacht van geen enkele
betekenis kunnen zijn voor de waardering van het strafwaardige van dit feit. Naast
het gebruik van valse sleutels is namelijk ook 'verbreking' bewezen verklaard, en
die verbreking (van de zegels waarmee de stoppenkast was afgesloten) volgt
zeker uit de bewijsmiddelen. Dat wordt in de toelichting op het middel ook
beaamd.
12. Desalniettemin meen ik dat de klacht bepaald niet ten onrechte naar voren is
gebracht. De wet brengt onder 'valse sleutel' ieder tot de opening van een slot niet
bestemd werktuig (art. 90 Sr Pro). Dat kan een heimelijk en onbevoegd nagemaakte
sleutel zijn, maar ook een stuk ijzerdraad waarmee een deur via de brievenbus
wordt 'opengehengeld' (HR DD 91.093). Het valse van een sleutel kan gelegen zijn
in de omstandigheid dat degene die er gebruik van maakt daartoe niet bevoegd
was, bijvoorbeeld omdat die sleutel wederrechtelijk is ontnomen aan de
rechthebbende (HR NJ 1987, 130). De ontwikkelingen in het betalingsverkeer
hebben opgeleverd dat ook het wederrechtelijk gebruik van een bankpasje met
bijbehorende code als het gebruik van een valse sleutel is aangemerkt (HR NJ
1993, 323). Een op een speelautomaat (onbevoegd) aangebrachte electronische
contraptie die de uitbetaling door dat apparaat beïnvloedt is eveneens als zodanig
beschouwd (HR NJ 1996, 585).
13. Ruim (en aangepast aan onze, zozeer van technologie afhankelijke,
samenleving) als het begrip 'valse sleutel' inmiddels is geworden, meen ik dat het
kenmerkende element daarvan (nog altijd) hierin is gelegen dat een voorwerp
wordt gebruikt dat de dader in staat stelt door te dringen tot een ruimte (of tot de
werking van een apparaat) die naar de kennelijke bedoeling van de rechthebbende
voor de dader juist niet toegankelijk moest zijn. Het welbewust verbreken,
passeren of manipuleren van een voorziening die beoogde iets voor de dader
onbereikbaar te maken levert het gebruik van een valse sleutel op; een breder
bereik zal aan dit begrip niet gegeven moeten worden.
14. Het aansluiten van electriciteitskabels aan een stroombron geeft op zichzelf
beschouwd geen onbevoegde toegang. Het wederrechtelijke handelen waardoor
verzoeker zich toegang tot de stroomtoevoer heeft verschaft, en dat de diefstal van
de electriciteit tot een gekwalificeerde heeft gemaakt, kon in dit geval alleen
bestaan in het verbreken van de zegels van de stoppenkast.
Ik houd het middel voor gegrond.
15. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal
vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de bewezenverklaring en de
kwalificatie van het aan verzoeker onder 1. ten laste gelegde feit, de kwalificatie
van het ten laste van verzoeker onder 3. bewezen verklaarde feit, de strafoplegging
en de aanhaling van de bepalingen waarop die berust,
dat de Hoge Raad zal bepalen dat het onder 3. bewezen verklaarde feit
oplevert het misdrijf: 'opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro
C Opiumwet',
dat de zaak zal worden verwezen naar een aangrenzend Gerechtshof
teneinde met betrekking tot het onder 1. tenlastegelegde feit en ten
aanzien van de strafoplegging opnieuw te worden berecht en afgedaan,
en dat het derde en het vierde middel zullen worden verworpen, hetgeen
zal kunnen geschieden met de in art. 101a RO bedoelde motivering.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Per 13 maart 1998 is art. 6.1 APV Zutphen 1992 gewijzigd. Bij die wijziging is de strafbedreiging verhoogd tot maximaal drie maanden hechtenis. Op grond van art. 1 lid 2 Sr Proart. 91 Sr Pro dient de voor verzoeker gunstiger oude bepaling te worden toegepast.
2 Vgl. HR NJ 1979, 463. In HR NJ 1943, 253 is al eens uitgemaakt dat art. 91 Sr Pro niet tot deze bepalingen behoort.