ECLI:NL:PHR:2000:AA7284
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling en gezagsvraag na echtscheiding tussen biologische vader en kind
De zaak betreft een verzoek van de biologische vader om een omgangsregeling met zijn kind vast te stellen, nadat de moeder weigerde mee te werken aan een regeling. De rechtbank verklaarde de vader ontvankelijk en vroeg de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te doen. De moeder ging in hoger beroep, maar het hof bevestigde de ontvankelijkheid van de vader.
De Hoge Raad oordeelde dat voor ontvankelijkheid niet vereist is dat de vader naast regelmatig contact ook bijkomende omstandigheden stelt; het gaat om een feitelijke beoordeling van de aard en intensiteit van het contact. Het hof heeft dit oordeel begrijpelijk gemotiveerd.
Verder werd geoordeeld dat ook zonder erkenning de vader ontvankelijk kan zijn in een verzoek tot omgang, omdat de wetgever niet heeft bedoeld dat alleen erkende vaders dit recht hebben. De Hoge Raad verwierp het beroep van de moeder en bevestigde dat het recht op omgang mede voortvloeit uit artikel 8 EVRM Pro, waarbij misbruik van bevoegdheid door de moeder om erkenning te weigeren niet zonder goede reden mag plaatsvinden.
De zaak benadrukt het belang van het gezins- en familieleven en bevestigt dat het recht op omgang niet beperkt is tot erkende vaders, maar ook geldt voor biologische vaders die een nauwe persoonlijke betrekking met het kind onderhouden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de vader is ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met het kind.