ECLI:NL:PHR:2000:AA7305

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01441/00 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 327 SvArt. 29 UitleveringswetArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitlevering ondanks betwisting van uitleveringsgrond en procesverbaal

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de arrondissementsrechtbank Amsterdam die de uitlevering van een persoon aan de Republiek Macedonië toestond ter uitvoering van een straf opgelegd door het hof te Skopje. De raadsman van de verzoeker stelde meerdere middelen van cassatie voor, waaronder het ontbreken van een volledige uitspraak en de onjuiste kwalificatie van het strafbare feit.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van de vierde pagina van de uitspraak geen aanleiding gaf tot nieuwe middelen en dat het cassatiemiddel over de uitleveringsgrondslag faalde omdat de uitleveringsovereenkomst ook gekwalificeerde vormen van diefstal omvat. Daarnaast werd het middel over het niet-ondertekende proces-verbaal verworpen omdat de voorzitter het proces-verbaal wel had vastgesteld en de griffier had ondertekend.

De Hoge Raad vond geen ambtshalve gronden voor vernietiging en wees het beroep af. De uitlevering blijft daarmee in stand, ondanks de aangevoerde bezwaren over procedurele en materiële aspecten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Macedonië blijft in stand.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 01441/00/U
Zitting 27 juni 2000
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
Edelhoogachtbaar College,
1. De opgeëiste persoon heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak
van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 februari 2000 waarbij de
uitlevering aan de Republiek Macedonië ter executie van de bij arrest van hof te
Skopje van 23 oktober 1997, Kž.nr.486/97 opgelegde straf toelaatbaar is
verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij
schriftuur die op 25 mei 2000 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen twee
middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel klaagt de raadsman er
onder meer over dat hij geen volledig exemplaar van de uitspraak van de rechtbank
heeft ontvangen. Ook het exemplaar dat de Hoge Raad van de rechtbank had
ontvangen bleek onvolledig te zijn, aangezien de vierde pagina van de uitspraak
ontbrak. Ik heb alsnog de volledige uitspraak bij de rechtbank opgevraagd en op
14 juni 2000 het ik een kopie daarvan aan de raadsman verzonden, waarbij ik hem
het volgende heb medegedeeld:
“Ik zou het op prijs stellen binnen twee weken na dagtekening van deze brief van
U te mogen vernemen of hetgeen op de vierde pagina van de uitspraak staat U
aanleiding geeft tot het indienen van een of meer nieuwe middelen dan wel of de
aangereikte gegevens U aanleiding geven tot heroverweging van het in het eerste
middel gestelde.”
3. Bij brief die op 20 juni 2000 bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen heeft
de raadsman laten weten dat hij een nieuwe schriftuur houdende drie middelen
van cassatie heeft opgesteld. Het eerste en het tweede middel zijn nieuw en het
derde middel komt overeen met het tweede middel in de oorspronkelijke
schriftuur. Het eerste middel van de oorspronkelijke schriftuur is komen te
vervallen. Bij de bespreking van de middelen houd ik de volgorde aan van de
schriftuur die op 20 juni 2000 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
4. Het eerste middel moet buiten bespreking blijven, aangezien dit middel - in
afwijking van de bij brief van 14 juni 2000 aan de raadsman geboden mogelijkheid -
geen betrekking heeft op hetgeen de rechtbank op de vierde pagina van de
bestreden uitspraak heeft overwogen, maar op een kwestie die desgewenst ook in
de oorspronkelijk ingediende schriftuur aan de orde had moeten worden gesteld
en die thans dus als tardief opgeworpen dient te worden beschouwd.
5. Het tweede middel klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen
dat het feit waarvoor verzoeker in Macedonië is veroordeeld naar Nederlands recht
het misdrijf van art. 311 Sr Pro oplevert, althans dat de rechtbank dit oordeel
ontoereikend heeft gemotiveerd`. Het te dezen toepasselijke verdrag (bedoeld zal
zijn: de op 28 februari/11 maart 1896 gesloten overeenkomst tussen het
Koninkrijk Nederland en het Koninkrijk Servië tot regeling van de wederzijdse
uitlevering van misdadigers, welke overeenkomst blijkens de notawisselingen
zoals gepubliceerd in Trb. 1997, 278 van kracht is gebleven tussen de Republiek
Macedonië en het Koninkrijk Nederland, NJ) geeft een limitatieve opsomming van
de feiten waarvoor uitlevering kan plaatsvinden. In art. 1 onder Pro 22° van die
overeenkomst wordt in de Franse tekst over “vol” en in de Nederlandse tekst over
“diefstal” gesproken. Daaruit kan worden afgeleid dat geen uitlevering kan
plaatsvinden voor gekwalificeerde varianten van het gronddelict, aldus het middel.
6. Het middel kan niet tot cassatie leiden, aangezien, anders dan de steller van
het middel wil, bij een in een uitleveringsovereenkomst opgenomen catalogus van
strafbare feiten het vermelden van een gronddelict impliceert dat ook
gekwalificeerde en geprivilegieerde vormen van dat gronddelict door de
overeenkomst worden bestreken (en het omgekeerde niet). Dit brengt mee dat
onder de in art. 1 onder Pro 22° van voornoemde overeenkomst vermelde “diefstal”
moeten worden begrepen gekwalificeerde vormen van diefstal (vgl. Swart,
Nederlands Uitleveringsrecht, p. 164 en het aldaar genoemde HR 31 augustus
1972, NJ 1973, 4 welke uitspraak ook betrekking had op de uitleg van art. 1 onder Pro
22° van meergenoemde overeenkomst maar dan in de relatie tussen Nederland en
de toenmalige Republiek Zuid-Servië). Daarvan is in casu sprake.
7. In het derde middel wordt het standpunt ingenomen dat de bestreden uitspraak
niet in stand kan blijven, aangezien in strijd met art. 327 Sv Pro in verbinding met art.
29 Uitleveringswet (bedoeld zal zijn het eerste lid van dit artikel, NJ) het proces-
verbaal van de zitting van 15 februari 2000 niet mede door de voorzitter is
ondertekend.
8. Ter terechtzitting van 15 februari 2000 is de beslissing van de rechtbank
uitgesproken. Het van die zitting opgemaakte proces-verbaal houdt in dat het door
de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend met daaronder de
handtekening van de griffier en de handgeschreven mededeling dat de voorzitter
buiten staat is te tekenen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, vermag ik niet
in te zien hoe verzoeker hierdoor in enig rechtens te respecteren belang kan zijn
geschaad (vgl. HR 18 oktober 1994, DD 95.058). Het middel faalt derhalve.
9. Geheel ten overvloede wijs ik er voorts nog op dat de omstandigheid dat de
voorzitter het proces-verbaal wel heeft vastgesteld, maar slechts niet heeft
ondertekend geen reden is om te oordelen dat het proces-verbaal nietig is (vgl.
Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, 3e, p. 537 en de aldaar genoemde
jurisprudentie).
10. De middelen die voor bespreking in aanmerking komen falen en kunnen
worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging. Ambtshalve
gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb
ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG