ECLI:NL:PHR:2000:AA7554
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepassing van de voorkomingsbreuk bij dubbele belastingheffing in belastingjaar 1994
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de voorkomingsbreuk in het belastingjaar 1994 door belanghebbende X, die in Nederland woont en inkomsten uit Duitsland geniet. De kern van het geschil is of de in 1988 betaalde lijfrentepremie alsnog in 1994 in mindering kan worden gebracht op de noemer van de voorkomingsbreuk, waardoor de aftrek elders belast zou worden vergroot.
De belanghebbende had reeds in 1988 geprocedeerd over een vergelijkbare kwestie, waarbij de Hoge Raad destijds oordeelde dat persoonlijke verplichtingen evenredig worden geëxporteerd bij de voorkomingsbreuk. De huidige conclusie benadrukt dat er geen grond bestaat om in 1994 alsnog de premies van 1988 in mindering te brengen. Tevens wordt gesteld dat het beroep op EG-recht voor 1988 niet meer kan leiden tot herziening, aangezien de aanslag van dat jaar onherroepelijk is geworden.
De conclusie bespreekt ook de mogelijkheid van schadevergoeding wegens het niet ambtshalve toepassen van EG-recht, maar acht dit niet aan de orde omdat het beroep niet gegrond is en er geen verzoek om schadevergoeding is gedaan. Verder wordt gewezen op de mogelijkheid van een civiele actie wegens onrechtmatige aanslagoplegging, maar ook die lijkt weinig kansrijk vanwege verjaring en het ontbreken van voldoende gekwalificeerde schending van EG-recht.
De conclusie adviseert de Hoge Raad het beroep van de belanghebbende af te wijzen wat betreft de voorkomingsbreuk en houdt zich beschikbaar voor verdere toelichting over andere geschilpunten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende om de in 1988 betaalde lijfrentepremie in 1994 in mindering te brengen op de voorkomingsbreuk wordt verworpen.