32. Het hof heeft in antwoord hierop het volgende overwogen: - naar
aanleiding van reis van 2 rechercheurs in maart 1998 - “Kort gezegd gaat
het hier om het volgende: Nadat door de verdachte hoger beroep was ingesteld
tegen het op 26 januari 1998 uitgesproken vonnis waarin ook een in de
telastelegging uitvoeriger vermeld vervoer (c.a.) van hashish per Great Alexzander
en Orcadia bewezen was verklaard, namelijk in maart 1998, zijn twee
rechercheurs van het KTR waaronder [verbalisant 2] naar Amerika gereisd en zij
hebben daar de reeds eerder (ook) als getuige gehoorde [getuige 2], [getuige 3],
[getuige 4] en [getuige 1] gehoord die bij onder meer dat vervoer (c.a.) betrokken
zouden zijn geweest. Dit is gebeurd met medeweten van de zaaks-officier Van
Straelen en is noch tevoren, noch naderhand aan de verdediging meegedeeld, laat
staan dat deze was uitgenodigd de verhoren bij te wonen. De procureur-generaal
is evenmin hierover geïnformeerd. b. Het verhoor van de genoemde getuigen had in
geen geval buiten de verdediging om mogen gebeuren. Het hof is echter niet van
oordeel dat hier (een opzettelijke) grove schending van het belang van de
verdediging aannemelijk is geworden. Wel is door onachtzaamheid een
verdedigingsbelang geschaad. Aangezien het hof, anders dan de verdediging,
voorts van oordeel is dat te dezen herstel in beginsel mogelijk is, doordat de vier
getuigen opnieuw door een rechter-commissaris worden gehoord in aanwezigheid
van de raadslieden, waarbij ook de verklaringen die in maart 1998> zijn afgelegd in
het verhoor kunnen worden betrokken (zoals ook is geschied), acht het hof de
sanctie van niet-ontvankelijkverklaring hier niet geboden. c. Door de raadslieden is
beklemtoond dat herstel niet meer mogelijk is omdat de getuigen, nadat zij hun
verklaring hebben afgelegd in het (geheiingehouden) verhoor van maart 1998, niet
meer onbevangen (anders) zouden kunnen verklaren. Hierover oordeelt het hof
anders. Het gaat immers om getuigen die al vóór maart 1998 ettelijke malen in
verband met vorenbedoeld hash-transport zijn gehoord, zowel als verdachte als
ook als getuige; niet aannemelijk is dat zij zich opeens bevangen zouden gaan
voelen doordat zij in dat ene verhoor in maart tegenover opsporingsambtenaren
nog hebben verklaard. d. De raadsman van verdachte heeft afgezien van het
bijwonen van het nader verhoor van deze getuigen door de rechter-commissaris.
Dit is voor zijn rekening, nu hij tot het bijwonen van een dergelijk verhoor
uitdrukkelijk is uitgenodigd.” - naar aanleiding van de CID-reis in juni 1998
- “a. Het hof gaat, mede gelet op de ter terechtzitting van het hof afgelegde
getuigenverklaringen, uit van de volgende gang van zaken: Na een gesprek met
KTR-rechercheur [verbalisant 2] (die, zoals onder ad 7 weergegeven, in maart
1998 de in Amerika gedetineerde [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige
1] in de RADAR-zaak als getuigen had gehoord) is bij [getuige 7], chef CID van
het KTR, de gedachte opgekomen dat, aangezien aangenomen werd dat deze
getuigen niet het achterste van hun tong hadden laten zien (lees: wel wat meer
zouden kunnen verklaren dan zij tot dusver hadden gedaan), het opportuun kon
zijn te trachten CID-matig informatie van deze getuigen te verwerven. Hij heeft
deze zienswijze met de CID-officier [getuige 6] besproken. Deze schaarde zich
achter het idee en heeft in het gezamenlijk overleg van hem met de hoofdofficier
van justitie Van Brummen en de officier van justitie Van Straelen, zaaksofficier in
deze zaak, meegedeeld dat drie in Amerika gedetineerde personen wellicht CID-
matig informatie zouden kunnen verstrekken die van belang kon zijn voor (het
gedeelte, kort gezegd, de Great Alexzander van) de Radar-zaak. Daarbij heeft hij
de namen [...] en [...] genoemd. Hij heeft toestemming gevraagd voor een
dienstreis van hem en [getuige 7] met het doel te onderzoeken of die personen
bereid waren informatie te verstrekken. Van Brummen heeft een door [getuige 7]
uitgetikte en op 5 juni 1998 gedateerde reisopdracht ondertekend. [Getuige 6] en
[getuige 7] zijn onverrichter zake teruggekeerd. b. Geen geschreven of
ongeschreven regel van geldend recht (betreffende de bescherming van belangen
van een verdachte in een in welke instantie ook aanhangige strafzaak) verzet zich
ertegen dat in de loop van het strafgeding en zonder dat zulks aan de verdediging
wordt meegedeeld CID-functionarissen als getuige in het voorbereidend onderzoek
gehoorde personen benaderen met de vraag of zij CID-matig informatie willen
verschaffen. De vraag of aan de belangen van de verdachte/verdediging tekort is of
kan zijn gedaan is in beginsel alleen relevant voor zover het gaat om de wijze
waarop vervolgens met de eventueel verkregen informatie is gehandeld. c. tijdens
het verhoor van genoemde officieren van justitie als getuige ter zitting van het hof
is telkens ter sprake gekomen hoe gehandeld zou (moeten) zijn in het (zich niet
voorgedaan hebbende) geval dat een of meer van die personen meegedeeld
zou(den) hebben bereid te zijn informatie aan CID-functionarissen te verschaffen,
of dat zij zelfs terstond over de RADARzaak (en dan in het bijzonder over
[verdachte] en diens -pretense- organisatie) zouden zijn gaan verklaren. De
officieren hebben daarover niet gelijkluidend verklaard. d. Naar de regels van de
kunst zou, in het geval een van de bedoelde personen te kennen had gegeven dat
hij wel informatie wilde verschaffen, het als volgt zijn gegaan. [Getuige 6] en
[getuige 7] zouden het gesprek hebben afgebroken en zouden vervolgens een
(koppel) runner(s) naar die persoon hebben gestuurd. In het geval die persoon
onmiddellijk (spontaan) een verklaring zou hebben afgelegd, zou er niets aan in de
weg hebben gestaan dat [getuige 6]/[getuige 7] deze verklaring hadden
opgenomen. Indien de persoon te kennen zou hebben gegeven dat hij als getuige
onder naam zou willen verklaren, dan hadden [getuige 6]/[getuige 7] niet die
verklaring, maar slechts de mededeling dat de persoon “tactisch” wilde verklaren
op de voor CID-informatie gebruikelijke wijze aan het tactisch team kenbaar
gemaakt, waarna tactische rechercheurs - zonder enige kennis omtrent de
inhoud van hetgeen de persoon zou kunnen verklaren- die persoon konden gaan
horen, uiteraard na de verdediging daarvan op de hoogte te hebben gesteld en te
hebben uitgenodigd bij het verhoor aanwezig te zijn; een en ander in overleg met
en na instemming van de procureur-generaal die de zaak in hoger beroep
behandelt. e. De omstandigheid dat Van Straelen, [getuige 6] en ook [getuige 7]
als getuigen een (enigszins) ander scenario hebben geschetst voor het
hypothetische geval dat de bedoelde personen nog iets zouden hebben willen
zeggen, acht het hof in het kader van het niet-ontvankelijkheidsverweer alleen in
zoverre relevant dat bezien moet worden of daarmee steun wordt gegeven aan de
stelling dat een of meer van deze functionarissen er niet voor terugdeinst/ deinzen
al dan niet stelselmatig en bewust af te doen aan belangen van de verdediging. Dit
laatste is niet aannemelijk geworden.”