ECLI:NL:PHR:2000:AA7787

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
112916
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 onder A OpiumwetArt. 1 lid 5 OpiumwetArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen bij uitvoer cocaïne en handhaaft gevangenisstraf

Verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het verbod op uitvoer van cocaïne volgens artikel 2 lid 1 onder Pro A van de Opiumwet. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.

Namens verdachte werd cassatieberoep ingesteld met twee klachten: dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was met betrekking tot medeplegen en dat de motivering van de strafmaat ondeugdelijk was. De Hoge Raad oordeelt dat het hof uit de bewijsmiddelen zonder twijfel kon afleiden dat verdachte zodanig bij de uitvoer van 100 gram cocaïne betrokken was dat sprake was van medeplegen. Tevens concludeert het hof dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de cocaïne naar Duitsland zou worden vervoerd.

Ten aanzien van de strafmotivering oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet volstond met een standaardzin, maar de strafmaat passend heeft gemotiveerd door de ernst van het feit, de schadelijkheid van cocaïne en de persoon van verdachte mee te wegen. De klachten falen en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot één jaar gevangenisstraf voor medeplegen van uitvoer van cocaïne.

Conclusie

Nr.112.916
Mr Fokkens
Zitting 9 mei 2000
Conclusie inzake: [Verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verdachte is door het gerechtshof te Amsterdam wegens het medeplegen van
het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 lid 1 onder Pro A van de
Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.
2. Namens verdachte heeft mr H.R. Kant, advocaat te Krommenie, een schriftuur
ingediend, welke twee klachten bevat.
3. Allereerst stelt de indiener dat de bewezenverklaring niet naar behoren is
gemotiveerd, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er sprake is
van “medeplegen.”
4. Het hof heeft, voor zover relevant, bewezenverklaard dat verdachte
“tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van
Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, een
hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.”
5. In het middel wordt niet uiteengezet waarom de bewezenverklaring niet uit de
bewijsmiddelen kan volgen. Dat zou de steller ook niet meegevallen zijn, omdat
het hof uit de bewijsmiddelen zonder enige twijfel kon afleiden dat verdachte
zodanig bij de uitvoer van 100 gram cocaïne betrokken was dat dit het
tenlastegelegde medeplegen opleverde. De bewijsmiddelen houden immers in dat
verdachte op bestelling 100 gram cocaïne - dus vele malen meer dan de
gebruikershoeveelheid - heeft verkocht aan de daarvoor uit Duitsland gekomen
“Meyer auf der Heide”. Daaruit heeft het hof - mede gelet op de ruime
omschrijving van het begrip “buiten het grondgebied brengen” in artikel 1 lid 5 van Pro
de Opiumwet, waarnaar de tenlastelegging verwijst - niet alleen kunnen afleiden
dat verdachtes gedragingen medeplegen van het buiten het grondgebied brengen
van cocaïne opleverden, maar ook kunnen concluderen dat verdachte minst
genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die cocaïne
vervolgens naar Duitsland vervoerd - en aldus buiten het grondgebied van
Nederland gebracht - zou worden en derhalve heeft gehandeld met het
tenlastegelegde opzet. Het middel faalt.
6. In de tweede plaats wordt er in de schriftuur geklaagd over de motivering van de
strafmaat, die ondeugdelijk zou zijn. De indiener betoogt: “Het hof kan niet
volstaan met de zinsnede “mede gelet op de persoon van de verdachte zoals door
het hof verwoord in de eerste alinea onder het kopje “De bewijslevering.”
7. Als gezegd heeft het hof verdachte veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf. Het
hof heeft die straf, behalve met de standaardmotivering, gemotiveerd met de
overweging: ”Verdachte heeft samen met anderen opzettelijk een aanzienlijke
hoeveelheid cocaïne buiten het grondgebied van Nederland gebracht. Cocaïne is
een voor de volksgezondheid schadelijke stof en de verspreiding daarvan gaat
gepaard met door verslaafden gepleegde criminaliteit. De procureur-generaal heeft
in hoger beroep terzake van het onder 1 en 7 tenlastegelegde dezelfde
gevangenisstraf van eenentwintig maanden gevorderd als door de rechtbank
opgelegd. Zoals hierboven reeds is overwogen, acht het hof - kort gezegd - de
criminele organisatie niet bewezen. Een gevangenisstraf van een jaar is naar het
oordeel van het hof een alleszins passende sanctie op het bewezenverklaarde,
mede gelet op de persoon van de verdachte zoals door het hof verwoord in de
eerste alinea onder het kopje “De bewijslevering.”
8. Anders dan de indiener stelt, heeft het hof níet volstaan met de in de schriftuur
geciteerde zinsnede. De klacht mist feitelijke grondslag.
9. De klachten kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde
motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer
dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,