ECLI:NL:PHR:2000:AA7788

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00711/99
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 1 WAMArt. 30 lid 2 WAMArt. 36 WAMArt. 68 SrArt. 72 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling wijziging tenlastelegging en redelijke termijn in WAM-overtreding

De zaak betreft een verzoeker die door de Arrondissementsrechtbank Breda is veroordeeld wegens overtreding van artikel 30 lid 2 van Pro de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM). De rechtbank legde tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid op.

In hoger beroep werd een wijziging van de tenlastelegging toegelaten door de officier van justitie, waarbij een subsidiair feit werd toegevoegd. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze wijziging wegens de vermeende tardiviteit en verjaring, maar de rechtbank verwierp dit bezwaar omdat de wijziging hetzelfde feit betrof en de procedurele voorwaarden waren nageleefd.

De Hoge Raad bevestigt dat de officier van justitie bevoegd is om ook in hoger beroep een wijziging van de tenlastelegging te vorderen zolang het feit hetzelfde blijft en de vordering tijdens het onderzoek ter terechtzitting wordt gedaan. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat er geen sprake is van schending van het recht op een redelijke termijn, mede omdat verzoeker niet tijdig een beroep op deze schending heeft gedaan in de eerdere procedure.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen. Er is geen aanleiding om ambtshalve te vernietigen. De zaak benadrukt het belang van flexibiliteit in de tenlastelegging en de strikte voorwaarden voor het recht op een redelijke termijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de wijziging van de tenlastelegging is toegestaan en het recht op een redelijke termijn is niet geschonden.

Conclusie

Nr. 00711/99
Mr Wortel
Zitting: 27 juni 2000
Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft verzoeker wegens overtreding van
art. 30 lid 2 WAM Pro veroordeeld tot twee weken hechtenis. Voorts heeft de
Rechtbank aan verzoeker een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te
besturen voor de duur van vier maanden opgelegd.
2. Namens verzoeker heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, twee middelen
van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte een
bezwaar tegen het wijzigen der tenlastelegging heeft verworpen, althans
de verwerping van dat bezwaar onvoldoende met redenen heeft omkleed.
4. Nadat bij twee eerdere gelegenheden geen inhoudelijke behandeling had
kunnen plaatsvinden (ter zitting van 20 april 1998 is het onderzoek op verzoek van
de verdediging terstond geschorst en ter zitting van 21 september 1998 moest het
onderzoek opnieuw worden geschorst omdat de tolk en opgeroepen getuigen niet
waren verschenen) heeft het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
plaatsgevonden op 15 maart 1999. Toen moest worden vastgesteld dat de
opgeroepen getuigen wederom niet waren verschenen, waarop de officier van
justitie een vordering tot wijziging van de tenlastelegging heeft gedaan.
De vordering hield in dat aan het feit dat op de tenlastelegging was
vermeld, kort gezegd: als degene aan wie het kenteken is opgegeven het
motorvoertuig op de voor het openbaar verkeer openstaande weg laten
staan zonder daarvoor een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid
te hebben gesloten en in stand gehouden (art. 30 lid 1 WAM Pro), in
subsidiaire zin zou worden toegevoegd, wederom samengevat: als
degene aan wie het kenteken is opgegeven voor het motorrijtuig niet een
dergelijke verzekering te hebben gesloten en in stand gehouden (art. 30
lid 2 WAM).
5. Daarop heeft de raadsman verklaard dat door die wijziging de noodzaak tot het
horen van de getuigen was komen te vervallen, en hij van dat horen dan ook
afstand deed, maar dat hij tegen het toelaten van de wijziging bezwaar maakte
omdat die wijziging tardief was. Naar het inzicht van de raadsman had de officier
van justitie in een eerder stadium al de gelegenheid gehad die wijziging te
vorderen.
Naar aanleiding van die vordering en dat verweer heeft de Rechtbank overwogen:
“De rechter verwerpt dit verweer. Het onderzoek in de zaak is tweemaal
geschorst. De eerste maal gebeurde dat op verzoek van verdachte
omdat hij ziek was en de tweede maal, omdat de getuigen niet waren
verschenen. De officier van justitie heeft thans een subsidiair feit
toegevoegd. Het feitencomplex blijft echter hetzelfde.
De rechter wijst de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toe. Zij stelt vast
dat de tenlastelegging is gewijzigd als vermeld in de vordering wijziging
tenlastelegging, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als
hier ingelast dient te worden beschouwd. Aan de verdachte wordt een door de
griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen uitgereikt, aangezien de rechter
van oordeel is dat daarmee kan worden volstaan.
6. De reden waarom de steller van het middel deze beslissing onjuist acht zal
gevonden moeten worden in de nogal rethorisch klinkende uitroep die in de
toelichting op het middel te vinden is: “Het gaat toch niet aan om eerst twee en
een half jaar na de ‘pleegdatum’ met een wijziging te komen en dan subsidiair een
feit ten laste te leggen (de overtreding van artikel 30 lid 2 van Pro de WAM) dat
bovendien inmiddels is verjaard.”
7. Aangezien de inleidende dagvaarding in deze zaak na 2 november 1996 is
uitgebracht is op de bevoegdheid een wijziging van de tenlastelegging te vorderen
art. 313 Sv Pro (in verband met de art. 425 Sv Pro en 415 Sv) toepasselijk zoals die
bepaling sinds die datum luidt. De officier van justitie was derhalve bevoegd die
vordering ook in hoger beroep te doen.
De wet stelt aan die bevoegdheid nog slechts één beperking: een vordering tot
wijziging van de tenlastelegging mag niet worden toegelaten indien daardoor de
tenlastelegging niet langer hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr Pro zou vormen.
Ten aanzien van het tijdstip waarop wijziging van de tenlastelegging kan worden
gevorderd stelt de wet geen beperkingen meer, afgezien van de wel zeer voor de
hand liggende voorwaarde - voortvloeiend uit de omstandigheid dat art. 313 Sv Pro is
opgenomen in de zesde titel van het tweede boek van het Wetboek van
Strafvordering - dat de vordering tijdens het onderzoek ter terechtzitting moet
worden gedaan.
8. In de gang van zaken gedurende het onderzoek ter terechtzitting zal niet dan
met de grootst mogelijke terughoudendheid een aanleiding gevonden mogen
worden aan de ter zitting optredende vertegenwoordiger van het openbaar
ministerie desalniettemin de bevoegdheid te ontzeggen om desnoods nog in een
zeer laat stadium van de behandeling, hetzij in eerste aanleg, hetzij in hoger
beroep, met een door hem noodzakelijk geachte vordering tot wijziging van de
tenlastelegging te komen. De bij Wet van 14 september 1995, Stb. 1995, 441
ingevoerde verruiming van de mogelijkheid daartoe is immers ingegeven door het
verlangen zo veel mogelijk te voorkomen dat een overigens aangewezen
veroordeling niet kan worden bereikt door onvolkomenheden in de tenlastelegging
of door niet voorziene ontwikkelingen tijdens de behandeling ter zitting
(Kamerstukken II, 1993-1994, 23 705, nr 3, p. 5/6, p. 9 e.v., Handelingen II, 16
maart 1995, p. 59 - 3620/3621). Er moet rekening mee worden gehouden dat
dergelijke onvolkomenheden, en vanzelfsprekend in nog sterkere mate zulke
onvoorziene omstandigheden, pas aan de orde kunnen komen indien het
onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg of zelfs in hoger beroep in een ver
gevorderd stadium verkeert.
9. Wat er zij van de vraag of de Rechtbank juist zou hebben gehandeld door de
vordering tot wijziging van de tenlastelegging af te wijzen indien zij had moeten
vaststellen dat de officier van justitie er in meerdere of mindere mate een verwijt
van had moeten worden gemaakt een eerdere gelegenheid voorbij te hebben laten
gaan, heeft de Rechtbank, in haar overwegingen klaarblijkelijk betrekkend dat, in
verband met de eerder gebleken noodzaak de behandeling in hoger beroep te
schorsen, niet gezegd kan worden dat onnodig lang is gewacht met het doen van
de wijzigingsvordering, het bezwaar van de raadsman op alleszins juiste gronden
verworpen.
Daarnaast geeft het oordeel dat het tenlastegelegde, gelet op de strekking van de
in het eerste lid, onderscheidenlijk het tweede lid van art. 30 WAM Pro opgenomen
strafbaarstellingen en het verwijt dat ten aanzien van overtreding daarvan moet
worden gemaakt, ook na wijziging van de tenlastelegging nog steeds hetzelfde feit
in de zin van art. 68 betrof Pro, geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting.
10. Waarom in de toelichting op het middel het standpunt is betrokken dat als
gevolg van de wijziging der tenlastelegging een feit is tenlastegelegd dat inmiddels
was verjaard ontgaat mij ten enenmale. Het ziet er naar uit dat de steller van het
middel - nog daargelaten dat naar luid van art. 36 WAM Pro alle in art. 30 WAM Pro
strafbaar gestelde gedragingen overtredingen opleveren, zodat een eventuele
vervolgingsverjaring met betrekking tot de bij wijziging van de tenlastelegging
ingevoegde beschuldiging op hetzelfde tijdstip zou intreden als ten aanzien van
het reeds in de inleidende dagvaarding opgenomen verwijt - is uitgegaan van een
onjuist begrip van de vervolgingsdaden die de verjaring stuiten.
11. Ter zake van het op 9 juli 1996 gepleegde feit is de inleidende dagvaarding op
de in art. 588 lid 3 onder Pro c Sv voorziene wijze aan de griffier uitgereikt op 4 februari
1997 en per post naar het van verzoeker bekende adres verzonden op 5 februari
1997. Uit de omstandigheid dat hoger beroep is ingesteld volgt dat verzoeker
bekend is geworden met het op 18 april 1997 in eerste aanleg gewezen vonnis (uit
het dossier dat aan de Hoge Raad is toegezonden blijkt niet van betekening van
dit vonnis), zodat ingevolge HR NJ 1999, 179 een nieuwe verjaringstermijn is
aangevangen op 19 april 1997. Binnen die opnieuw aangevangen verjaringstermijn
is de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig betekend op 6 maart 1998. Ook
nadien is er tussen de diverse vervolgingsdaden in de zin van art. 72 Sr Pro nimmer
een periode van twee jaar of meer verstreken.
Het middel is in alle onderdelen ondeugdelijk.
12. Het tweede middel klaagt over schending van het recht op berechting binnen
een redelijke termijn.
13. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart
1999, naar aanleiding waarvan de bestreden uitspraak is gewezen en op welke
zitting zowel verzoeker als zijn raadsman tegenwoordig zijn geweest, blijkt niet
dat door of namens verzoeker een beroep is gedaan op schending van het recht
op berechting binnen een redelijke termijn tot en met de behandeling in hoger
beroep. Indien in hoogste feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd omtrent een
inbreuk op dat recht is de rechter niet gehouden te doen blijken van een
onderzoek naar eventuele overschrijding van de redelijke termijn, en kan daarover
niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd (HR NJ 1991, 752 en
HR NJ 1998, 115).
14. Aangezien de klacht behelst dat de vervolging van verzoeker, niet alleen in de
diverse instanties maar ook over het geheel genomen, met inbegrip van de
behandeling in cassatie, onredelijk lang geduurd heeft merk ik nog het volgende
op.
Voor zover in het middel is bedoeld te betogen dat de dag waarop het
bewezenverklaarde feit is begaan, 9 juli 1996, het beginpunt van de redelijke
vervolgingstermijn moet vormen berust het - aangezien dienaangaande in feitelijke
aanleg niets is vastgesteld of zelfs maar aangevoerd - op een stelling die te laat
is opgeworpen. Zonder nader onderzoek van feitelijke aard, waarvoor in cassatie
geen ruimte is, kan niet worden vastgesteld dat verzoeker reeds op 9 juli 1996 in
redelijkheid kon verwachten dat hij ter zake strafrechtelijk zou worden vervolgd
(vgl. HR 21 maart 2000, griffienr. 113.031). Dat klemt in dit geval temeer
aangezien uit het dossier blijkt dat het feit ‘op kenteken’ is bekeurd, zonder
staandehouding of verhoor van verzoeker. Daarom zal in cassatie de betekening
van de dagvaarding in eerste aanleg, 4 februari 1997, als aanvangstijdstip van de
voor de redelijke vervolgings- en berechtingstermijn relevante periode hebben te
gelden.
15. Daarvan uitgaande, en in aanmerking nemende dat in eerste aanleg vonnis is
gewezen op 18 april 1997 terwijl aan verzoeker, die op 24 september 1997
daartegen hoger beroep deed instellen, op 6 maart 1998 de dagvaarding is
betekend om in hoger beroep terecht te staan ter terechtzitting van 20 april 1998,
dat op die terechtzitting het onderzoek op verzoek van de verdediging is
aangehouden en ter terechtzitting van 21 september 1998 opnieuw moest worden
aangehouden, kan niet worden gezegd dat de Rechtbank ter terechtzitting van 15
maart 1999 ten onrechte heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of met de
vervolging van verzoeker een zo groot tijdsverloop gemoeid was dat de redelijke
termijn voor vervolging en berechting, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, was
overschreden.
16. Het cassatieberoep is ingesteld op 15 maart 1999. De stukken zijn bij de
Hoge Raad binnengekomen op 19 juli 1999, terwijl de zaak voor de eerste maal
ter zitting van de Hoge Raad is behandeld op 13 juni 2000. Van overschrijding van
de in HR NJ 1999, 326 geformuleerde termijn voor inzending van de stukken is
derhalve geen sprake, terwijl van de periode die gelegen is tussen binnenkomst
van het dossier bij de Hoge Raad en de eerste behandeling op zijn zitting, minder
dan twaalf maanden, allerminst gezegd kan worden dat zij kan bijdragen tot het
oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, vgl. HR NJ 2000, 143.
17. Evenmin kan die termijnoverschrijding worden gevonden in de tijd die is
verstreken tussen het betekenen van de inleidende dagvaarding en de behandeling
door de Hoge Raad.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
18. De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden
waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de
bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze
conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,