ECLI:NL:PHR:2000:AA7792
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid gegevensverstrekking door Belastingdienst ondanks geschil over persoonsregistratie en bewijsuitsluiting
Verzoeker werd door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens valsheid in geschrift. In cassatie werd onder meer betoogd dat de Belastingdienst onrechtmatig gegevens had verstrekt uit een persoonsregistratie zonder vereiste toestemming, waardoor het bewijs uitgesloten zou moeten worden.
De Hoge Raad analyseerde de definitie van een persoonsregistratie en concludeerde dat de verstrekte gegevens afkomstig waren uit een dossier gericht op verzoeker, dat niet valt onder de Wet Persoonsregistraties. Het Hof had terecht geoordeeld dat de gegevensverstrekking niet onrechtmatig was en dat het ontbreken van expliciete toestemming van het hoofd van de eenheid niet leidde tot bewijsuitsluiting.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de wettelijke grondslag voor de gegevensverstrekking, waaronder art. 67 AWR Pro en het VIV 1993, niet onverenigbaar is met het EVRM en dat het VIV 1993 niet onverbindend verklaard hoeft te worden. Ook werd bevestigd dat de verstrekking van informatie aan opsporingsinstanties op verzoek en op eigen initiatief binnen de wettelijke kaders viel.
Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens valsheid in geschrift blijft gehandhaafd.