ECLI:NL:PHR:2000:AA7907
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijswaardering schuldbekentenis en wijst vordering af
In deze civiele zaak vorderde eiser betaling van een geldlening van f 15.000,- die was vastgelegd in een onderhandse schuldbekentenis door verweerder. De schuldbekentenis was opgesteld op briefpapier van de B.V. waarvan verweerder directeur was, maar verweerder betwistte dat hij zich persoonlijk had verbonden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zich persoonlijk had verbonden en legde het bewijs daarvan bij hem. Verweerder slaagde hier niet in, waarna de rechtbank de vordering toewijst. Het hof stelde echter dat de schuldbekentenis geen dwingend bewijs oplevert omdat deze geen goedschrift bevat en dat uit de omstandigheden en verklaringen niet blijkt dat verweerder zich persoonlijk had verbonden. Het hof vernietigde het vonnis en wees de vordering af.
Eiser stelde cassatieberoep in tegen deze bewijswaardering en de toepassing van art. 185 lid 1 Rv Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de schuldbekentenis zonder goedschrift geen dwingend bewijs is en dat het hof de getuigenverklaringen en overige omstandigheden voldoende heeft meegewogen. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het middel niet voldoet aan de vereisten en het hof zijn motivering goed heeft onderbouwd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot betaling wordt afgewezen.