AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring OM wegens onjuiste toepassing inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis
In deze strafzaak ging het om de vraag of het openbaar ministerie (OM) terecht niet-ontvankelijk was verklaard door het hof vanwege een onrechtmatige voortzetting van de inverzekeringstelling en het vorderen van gevangenneming door de politierechter zonder voorafgaande voorgeleiding aan de rechter-commissaris.
De verdachte was op heterdaad aangehouden en in verzekering gesteld zonder voorgeleiding aan de rechter-commissaris, waarna hij werd gedagvaard voor een zitting van de politierechter binnen de wettelijke termijnen. Het hof oordeelde dat het OM het stelsel van waarborgen rond inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis had geschonden, met name omdat de politierechter de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling toetste en gevangenneming bevolen zonder dat de verdachte aan de rechter-commissaris was voorgeleid.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste uitleg gaf aan de artikelen 60 en 61 Sv en dat de politierechter bevoegd is om gevangenneming te bevelen bij een verdachte die in verzekering is gesteld maar niet in bewaring. De voortzetting van de inverzekeringstelling kan gerechtvaardigd zijn zolang er een onderzoeksbelang is en de politierechter bevoegd is de voorlopige hechtenis te bevelen. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat het OM haar bevoegdheid misbruikte en dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. Tevens bespreekt de Hoge Raad de procedure van het 'supersnelrecht' waarbij de verdachte binnen de termijn van inverzekeringstelling voor de politierechter wordt geleid, en benadrukt dat deze procedure kwetsbaar kan zijn maar niet per definitie onrechtmatig.
Tot slot benadrukt de Hoge Raad dat het beginsel van onbevooroordeeldheid van de rechter niet wordt geschaad indien dezelfde politierechter zowel over de hoofdzaak als over de voorlopige hechtenis beslist, en dat de verdachte niet onnodig in een politiecel mag worden gehouden na gevangenneming.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling, waarbij het OM niet-ontvankelijk verklaren onterecht was.
Conclusie
Mr Wortel
Nr. 01916/00
Zitting 6 juni 2000
Conclusie inzake:
[Verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk
verklaard in de vervolging van [verdachte], hierna aan te duiden als ‘de verdachte’.
2. Tegen die uitspraak heeft de advocaat-generaal beroep in cassatie ingesteld.
Hij heeft een schriftuur aan de Hoge Raad doen toekomen waarin één
cassatiemiddel wordt voorgesteld dat in drie nadere klachten uiteenvalt. Te
begrijpen valt dat ieder onderdeel uit zowel een rechts- als een motiveringsklacht
bestaat. Namens verdachte heeft Mr M. Veldman, advocaat te
Amsterdam, het middel bij schriftuur weersproken.
3. Het gaat hier om een strafzaak die mede het karakter van een proefprocedure
heeft.1
Het openbaar ministerie experimenteert met hetgeen men aanduidt als
‘supersnelrecht’. Die hoge snelheid in strafrechtelijke afdoening wordt nagestreefd
door verdachten te dagvaarden voor een zitting van een politierechter die zowel
binnen de termijn van de inverzekeringstelling als binnen de in art. 59a Sv
bedoelde termijn voor toetsing van de rechtmatigheid daarvan door de rechter-
commissaris valt. De dagvaarding voor die zitting wordt reeds op het politiebureau
aan de verdachte uitgereikt. Uiteraard zal de verdachte 'afstand' moeten doen van
de in art. 370 lid 1 SvPro gestelde termijn voor dagvaarding. Daarnaast stelt het
openbaar ministerie de voorwaarde dat de verdachte bereid is afstand te doen van
voorgeleiding aan de rechter-commissaris als bedoeld in art. 59a Sv. Voor de
hand liggende verdere voorwaarden zijn dat de feiten eenvoudig vast te stellen
moeten zijn, en dat er ook ‘in de sfeer van de hulpverlening’ (waarbij klaarblijkelijk
wordt gedoeld op reclasseringscontacten, hulp bij afkicken, et cetera) niets
behoeft te gebeuren.
Het openbaar ministerie ziet in dit ‘supersnelrecht’ het voordeel -
vanzelfsprekend naast de winst die prompte bestraffing van delicten
oplevert uit een oogpunt van effectieve normhandhaving, mede omdat de
vrijheidsbeneming niet wordt onderbroken zodat de op te leggen straf
dadelijk kan worden tenuitvoergelegd - dat bij de rechtbank (het kabinet
van de rechters-commissaris), het parket, de verdediging en (in verband
met transport van de verdachte) de politie de tijd wordt bespaard die
anders gemoeid zou zijn met een voorgeleiding aan de rechter-
commissaris (met het oog op art. 59a Sv én om het bevel tot bewaring
uit te lokken), korte tijd later gevolgd door de gang naar de politierechter.2
4. In deze gang van zaken, in het bijzonder de wijze waarop gebruik is
gemaakt van de inverzekeringstelling, zag het Hof aanleiding het
openbaar ministerie in de vervolging van verdachte niet-ontvankelijk te
verklaren.
Daartoe is in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:
“Ter terechtzitting van het hof is door de verdediging (...) aangevoerd, dat
het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden
verklaard omdat - zakelijk weergegeven - de officier van justitie met de
door haar gevolgde procedure het in de artikelen 57 tot en met 88 van het
Wetboek van Strafvordering vervatte stelsel van waarborgen buiten
werking heeft gesteld en aldus aan verdachte de hem op grond van die
bepalingen toekomende rechtsbescherming heeft onthouden. Daartoe is,
samengevat, het volgende gesteld.
De wettelijke regeling en het daarin besloten liggende systeem schrijven
uitdrukkelijk voor, dat de toetsing van de rechtmatigheid van de
inverzekeringstelling aan de rechter-commissaris is voorbehouden en
derhalve niet aan de zittingsrechter. Daarbij komt, dat in het geval dat aan
de zittingsrechter achtereenvolgens de rechtmatigheidstoetsing van de
inverzekeringstelling wordt overgelaten, een bewijsbeslissing ten aanzien
van de tenlastelegging wordt gevraagd en vervolgens bij hem een
vordering tot gevangenneming/gevangenhouding wordt gedaan, de
inhoud van de ene beslissing die van de andere bepaalt. In die situatie
kan de zittingsrechter niet meer als onpartijdig worden aangemerkt,
omdat de schijn van zijn vooringenomenheid is gewekt.
De verdediging heeft voorts betoogd dat de officier van justitie niet-
ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot
gevangenneming subsidiair dat die vordering behoorde te worden
afgewezen, omdat op het tijdstip waarop die vordering werd gedaan de
verdachte in verzekering was gesteld.
Voor een bevel gevangenhouding is evenmin plaats -aldus de
verdediging-, reeds omdat verdachte zich niet krachtens een bevel
bewaring in voorlopige hechtenis bevond.
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken in het
dossier is ten aanzien van het thans voorliggende geval het volgende
gebleken.
Verdachte is op heterdaad aangehouden, in verzekering gesteld en -
zonder aan de officier van justitie te zijn voorgeleid - gedagvaard ter
terechtzitting van de politierechter. Het onderzoek ter terechtzitting,
waarheen de officier van justitie verdachte heeft doen leiden, is
aangevangen binnen de in artikel 59 (bedoeld zal zijn 59a, JW) van het
Wetboek van Strafvordering vermelde termijn van drie dagen en vijftien
uren. Voorgeleiding aan de rechter-commissaris ter toetsing van de
rechtmatigheid van de inverzekeringstelling heeft niet plaatsgevonden.
Ter terechtzitting heeft de politierechter de rechtmatigheid van de
inverzekeringstelling getoetst en de (voortgezette) toepassing van dit
dwangmiddel rechtmatig geoordeeld. Voorts is de politierechter tot een
bewezenverklaring gekomen en is verdachte ter zake tot gevangenisstraf
veroordeeld. Op de (subsidiaire) vordering van de officier van justitie is
bovendien verdachtes gevangenhouding bevolen.
Daartoe uitgenodigd vanwege de officier van justitie had verdachte - die
door zijn raadsman werd bijgestaan -afstand gedaan van de termijn van
dagvaarding, van zijn - in de visie van de officier van justitie - aan artikel
59a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering te ontlenen recht op
voorgeleiding aan de rechter-commissaris en zich accoord verklaard met
deze rechtsgang, die door het openbaar ministerie is voorzien van de
kwalificatie "supersnelrecht".
Bij wet van 15 januari 1998, Stb. 1998, 35 heeft de wetgever in artikel 375
e.v. van het Wetboek van Strafvordering voorzien in een procedure, die
de officier van justitie de mogelijkheid biedt om verdachten die aan hem
zijn voorgeleid te dagvaarden voor de politierechter en hen nog dezelfde
dag ter terechtzitting te (doen) geleiden. De officier van justitie heeft van
deze bijzondere mogelijkheid in dit geval geen gebruik gemaakt.
Dit betekent dat onderzocht dient te worden of de door de officier van
justitie gevolgde weg niettemin in overeenstemming is met de daaraan
op grond van de wet te stellen eisen.
Artikel 61, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering beperkt de
duur van het verhoor van verdachte; in het eerste lid van dit artikel wordt
bepaald dat hij na het verhoor dadelijk in vrijheid wordt gesteld, tenzij hij in
verzekering wordt gesteld of in het kader van een vordering bewaring
voor de rechter-commissaris wordt geleid.
Artikel 57, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt voor
zover hier van belang, dat verdachte in het belang van het onderzoek in
verzekering kan worden gesteld. Artikel 58 bepaaltPro dat het bevel tot
inverzekeringstelling slechts wordt verleend in geval van een strafbaar
feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
In aanmerking genomen de ten aanzien van verdachte gerezen
verdenking van overtreding van artikel 310 vanPro het Wetboek van
Strafrecht, is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van het
evenvermelde artikel 58.
Verdachte is na verhoor, in welk verhoor hij een gave bekentenis heeft
gedaan, in verzekering gesteld. Deze inverzekeringstelling had geen voor
het hof kenbaar onderzoeksbelang in enge zin.
Ook indien wordt aangenomen dat het belang van het onderzoek gelegen
was in een onderzoek van de officier van justitie naar de aanwezigheid
van gronden waarop de voorlopige hechtenis kon worden gevorderd en/of
naar de opportuniteit van toepassing daarvan, dan kon dat belang in elk
geval na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting niet meer
aanwezig worden verondersteld.
Immers, verdachte is niet overeenkomstig artikel 60 vanPro het Wetboek van
Strafvordering voor de rechter-commissaris geleid, zodat de officier van
justitie op grond van artikel 61, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering was gehouden de invrijheidstelling van verdachte te
gelasten. De enkele omstandigheid dat verdachte heeft ingestemd met
verkorting van de dagvaardingstermijn kan aan deze gehoudenheid niet
afdoen.
Evenmin kan het feit, dat verdachte (in aanwezigheid van zijn raadsman)
met toepassing van "supersnelrecht" accoord is gegaan, meebrengen
dat vrijheidsbeneming buiten de gevallen als in de wet voorzien alsnog
wordt gelegitimeerd.
Aldus kan niet worden gezegd dat de inverzekeringstelling van verdachte
na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting berustte op enig
wetsartikel.
Aan de officier van justitie komt weliswaar de wettelijke bevoegdheid toe
ter terechtzitting de gevangenneming van verdachte te vorderen, in het
onderhavige geval komt tegen de achtergrond van het hiervoor
vastgestelde en aan de officier van justitie toe te rekenen verzuim het
gebruik maken van die bevoegdheid haar niet toe.
De vordering tot gevangenneming kan immers geen andere strekking
hebben gehad dan het verkrijgen van een titel op grond waarvan
verdachtes vrijheidsbeneming feitelijk kon worden voortgezet, terwijl
nieuwe feiten of omstandigheden waarop de officier van justitie die
vordering mogelijk had kunnen doen steunen haar blijkens het
verhandelde ter terechtzitting, in het geheel niet voor ogen hebben
gestaan, en ook anderszins van nova niet is gebleken.
Aldus heeft de officier van justitie een vordering gedaan, die niet alleen
een schending oplevert van een beginsel van behoorlijk strafprocesrecht,
te weten het beginsel van "nemo debet bis vexari", maar die ook - en
vooral -getuigt van het hanteren van een bevoegdheid voor een ander
doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven.
Ten aanzien van de op subsidiaire vordering van de officier van justitie
bevolen gevangenhouding overweegt het hof dat, gelet op hetgeen is
bepaald in artikel 65, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, het
doen van die vordering niet in de rede lag. Verdachte bevond zich
immers niet in bewaring.
Nu de officier van justitie heeft beoogd verdachte zo snel mogelijk te doen
berechten, heeft zij echter niet de daarvoor door de wet voorgeschreven
procedure gevolgd, maar met gebruikmaking van het dwangmiddel van
inverzekeringstelling verdachte voor de politierechter gedagvaard en
doen verschijnen, voor welk doel deze inverzekeringstelling niet is
gegeven.
Aldus handelend heeft het openbaar ministerie de in artikel 61, eerste lid,
van het Wetboek van Strafvordering vervatte instructienorm genegeerd,
alsmede inbreuk gemaakt op beginselen van een behoorlijk
strafprocesrecht waarvan de betekenis dermate elementair is, dat dit tot
gevolg moet hebben dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te
worden verklaard.
Dit betekent dat de door de verdediging overigens nog betrokken
stellingen die tot deze conclusie strekken geen bespreking behoeven.”
5. De eerste klacht in het middel is dat het Hof aan het begrip “belang van het
onderzoek” als voorwaarde voor het doen voortduren van de inverzekeringstelling
een onjuiste betekenis heeft toegekend.
Terecht wijst de steller van het middel erop dat zowel in de literatuur als
in de (feitelijke) rechtspraak algemeen wordt aangenomen dat dit
‘onderzoeksbelang’ niet beperkt is tot de eigenlijke waarheidsvinding (de
reconstructie van hetgeen vermoedelijk aan strafbaars heeft
plaatsgevonden en het vastleggen of zekerstellen van het bewijs
daarvan), maar dat daaronder ook moet worden begrepen de
voorbereiding van het oordeel of er gronden zijn voor aansluitende
voorlopige hechtenis, ook in die - in de praktijk veelvuldig voorkomende -
gevallen waarin aan deze voorbereiding van dat oordeel in wezen geen
element van werkelijk onderzoek te onderkennen valt, omdat aanstonds
duidelijk is dat er sprake is van recidive, vluchtgevaar of een feit waardoor
de rechtsorde ernstig verstoord moet worden geacht te zijn.3
Aanvaard zal moeten worden (als passend in het systeem van de op
elkaar aansluitende vormen van vrijheidsberoving ten dienste van het
onderzoek) dat “het belang van het onderzoek” als toereikende reden om
de inverzekeringstelling te laten voortduren aanwezig blijft zolang duidelijk
is dat het openbaar ministerie een titel voor aansluitende
vrijheidsberoving beoogt te verkrijgen, en er zwaarwegende aanwijzingen
zijn dat de rechter die over toepassing van de voorlopige hechtenis moet
oordelen een of meer van de in art. 67a Sv omschreven gronden
aanwezig zal achten.
6. In de aangehaalde overwegingen heeft het Hof niet miskend dat het “belang van
het onderzoek” zich mede uitstrekt tot de voorbereiding van het oordeel of de
verdachte na de inverzekeringstelling langer van zijn vrijheid beroofd moet blijven.
Het heeft immers een “onderzoeksbelang in enge zin” gesteld naast “een
onderzoek van de officier van justitie naar de aanwezigheid van gronden waarop
de voorlopige hechtenis kon worden gevorderd en/of naar de opportuniteit van
toepassing daarvan”.
7. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat, in ieder geval na de aanvang van het
onderzoek ter terechtzitting, ook in deze ruime zin geen ‘onderzoeksbelang’ meer
aan de inverzekeringstelling ten grondslag kan hebben gelegen, en dat niet
gezegd kan worden dat de inverzekeringstelling vanaf dat moment berustte op
enig wetsartikel, omdat de verdachte niet overeenkomstig art. 60 SvPro voor de
rechter-commissaris is geleid, waaruit naar het inzicht van het Hof voortvloeide dat
de officier van justitie op grond van het eerste lid van art. 61 SvPro gehouden was de
verdachte in vrijheid te doen stellen.
8. Art. 60 SvPro ziet op de voorgeleiding in verband met het vorderen van de bewaring.
Art. 61 SvPro bevat een instructie aan de officier van justitie ten aanzien van de
verdachte die noch in verzekering wordt gesteld, noch op de voet van art. 60 SvPro -
derhalve met het oog op de bewaring - aan de rechter-commissaris wordt
voorgeleid. Het door het Hof beoordeelde geval kenmerkt zich juist hierdoor dat de
verdachte reeds in verzekering was gesteld, en dat de officier van justitie niet
beoogde de bewaring te doen bevelen.
9. De gedachtegang waarin aan de art. 60 enPro 61 Sv inderdaad betekenis toekomt
ter beantwoording van de vraag of de verdachte rechtmatig op grond van een bevel
tot inverzekeringstelling voor de zittingsrechter is geleid laat zich, dunkt mij,
slechts op één manier reconstrueren. De door het Hof gevolgde redenering moet
berusten op het uitgangspunt dat in de wettelijke systematiek een titel voor
voortgezette vrijheidsberoving, indien het noodzakelijk wordt geoordeeld dat de
verdachte in afwachting van de beslissingen van de zittingsrechter gedetineerd
blijft, alleen gevonden kan worden in de door de rechter-commissaris te bevelen
bewaring. Wenst - zo moet het Hof hebben geredeneerd - de officier van justitie
een verdachte ook na de inverzekeringstelling vast te houden, dan kan hij dat
alleen bereiken door de bewaring te vorderen. Daartoe dient de verdachte
ingevolge art. 60 SvPro zo snel mogelijk aan de rechter-commissaris te worden
voorgeleid. Ziet de officier van justitie van die voorgeleiding af (en is overigens
duidelijk geworden dat ook de bewijsverzameling door de politie - het
onderzoeksbelang in engere zin - niet langer vergt dat de inverzekeringstelling
voortduurt), dan is hij ingevolge art. 61, eerste lid, Sv gehouden de verdachte
dadelijk in vrijheid te stellen.
Door te dagvaarden ter zitting van de politierechter, met het voornemen
aldaar de gevangenneming of gevangenhouding te vorderen naast het
opleggen van straf, heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt dat het
oordeel over voortgezette vrijheidsbeneming niet aan de rechter-
commissaris zou worden gelaten. Nu vaststond dat de rechter-
commissaris niet om die beslissing zou worden gevraagd stond ook vast
dat de inverzekeringstelling niet meer kon dienen ter voorbereiding van
door de (in deze gedachtegang) enige daartoe aangewezen rechterlijke
autoriteit te nemen beslissingen omtrent gronden en andere voorwaarden
om de verdachte nog langer vast te houden, en daar vloeit uit voort dat
het ‘onderzoeksbelang’ in ruime zin aan de inverzekeringstelling was
komen te ontvallen.
10. Alleen aldus gereconstrueerd is ’s Hofs oordeel dat in verband met het
bepaalde in de art. 60 enPro 61 Sv niet kan worden gezegd “dat de
inverzekeringstelling van verdachte na aanvang van het onderzoek ter
terechtzitting berustte op enig wetsartikel” te volgen.
11. Blijkens de toelichting op dit eerste middelonderdeel heeft ook de steller van
het middel de overwegingen van het Hof aldus begrepen.
In de klacht wordt de juistheid van dit, aldus gereconstrueerde, oordeel
vervolgens aangevallen door er op te wijzen dat de zittingsrechter
(politierechter) niet minder goed in staat is noodzaak en rechtmatigheid
van - kort gezegd - het voorarrest te beoordelen dan een rechter-
commissaris.
12. De vraag doet zich nu voor of het Hof aan het bepaalde in de art. 60 enPro 61 Sv
een ruimere strekking heeft toegekend dan waartoe wetsgeschiedenis of
wettelijke systematiek aanknopingspunten bieden.
13. De wijze waarop art. 60 SvPro is geredigeerd brengt voor de officier van
justitie alleen dan de verplichting tot het onverwijld aan de rechter-
commissaris voorgeleiden mee indien hij de bewaring nodig acht. In de
literatuur is opgemerkt dat de wetgever bij het formuleren van dit
voorschrift blijkbaar alleen de gevallen voor ogen heeft gehad waarin de
officier van justitie het niet noodzakelijk acht de verdachte in verzekering
te stellen.4
De in het eerste lid van art. 61 SvPro opgenomen verplichting de verdachte
zo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen ontstaat, indien ook die bepaling
naar de letter wordt genomen, alleen in de gevallen waarin de officier van
justitie geen redenen vindt de verdachte hetzij in verzekering te stellen,
hetzij hem overeenkomstig art. 60 SvPro - en dus ter fine van een bevel tot
bewaring - aan de rechter-commissaris voor te geleiden. In die gevallen
moet de verdachte in vrijheid worden gesteld “na te zijn verhoord”,
waarbij, om te voorkomen dat aan laatstbedoelde woorden de betekenis
zou worden toegekend dat er (met het oog op dat verhoor) een soort
‘politiebewaring’ naast de inverzekeringstelling kan zijn, in het tweede lid
is opgenomen dat het ophouden voor verhoor niet langer dan zes uur
(behoudens de nachtelijke uren) zal mogen nemen.5
14. Er zijn wettelijke bepalingen die in het bijzonder zijn toegesneden op
het beperken van de duur van de inverzekeringstelling. Binnen de in art.
58 lid 2 Sv gestelde termijn van ten hoogste drie dagen, met de
mogelijkheid van een eenmalige verlenging, is de officier van justitie op
grond van art. 57 lid 5 SvPro gehouden de invrijheidstelling te gelasten zodra
het belang van het onderzoek dat toelaat. Die aanwijzing is ten aanzien
van de hulpofficier van justitie ook opgenomen in art. 58 lid 3 SvPro. Juist in
verband met dit voorschrift krijgt praktische betekenis dat “het belang van
het onderzoek” zal moeten worden opgevat in de bovengenoemde ruime
zin.
15. Reeds het bestaan van het in art. 57 lid 5 SvPro opgenomen voorschrift brengt
naar mijn inzicht met zich mee dat aan de art. 60 enPro 61 Sv niet een zodanig ruime
uitleg mag worden gegeven dat zij betrekking gaan hebben op gevallen die de
wetgever blijkens hun bewoordingen niet voor ogen heeft gehad. In een geval als
het onderhavige, waarin een eventuele onrechtmatigheid gevonden zou moeten
worden in de omstandigheid dat de officier van justitie heeft nagelaten de
inverzekeringstelling te beëindigen zodra het belang van het onderzoek dat
toestond, zal alleen een schending van de art. 57 lid 5 SvPro kunnen worden
vastgesteld. Ik meen derhalve dat ’s Hofs oordeel op een onjuiste toepassing van