ECLI:NL:PHR:2000:AA8104
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toegang van pleegouders tot rechter bij beëindiging uithuisplaatsing en terugplaatsing kind
Deze zaak betreft een geschil tussen Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (BJU) en pleegouders over de beëindiging van de uithuisplaatsing van een minderjarig kind en de terugplaatsing naar de ouders. Het kind was uit huis geplaatst vanwege psychische problemen van de moeder en verbleef in een pleeggezin. Het BJU wilde het kind terugplaatsen bij de ouders, maar de pleegouders maakten bezwaar en verzochten de kinderrechter de voorgenomen terugplaatsing te beoordelen.
De kinderrechter verkortte de machtiging tot uithuisplaatsing, maar het hof vernietigde deze beschikking omdat de kinderrechter buiten de grenzen van het geschil had beslist. Het hof verklaarde de pleegouders ontvankelijk in hun verzoek en oordeelde dat zij recht hebben op rechterlijke toetsing van besluiten van de gezinsvoogdij-instelling, ook al is formeel de gezinsvoogdij-instelling bevoegd om de uithuisplaatsing te beëindigen.
De Hoge Raad bevestigt dat het besluit van de gezinsvoogdij-instelling tot beëindiging van de uithuisplaatsing een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is en dat pleegouders een recht op effectieve toegang tot de rechter hebben op grond van artikel 8 EVRM Pro. De rechterlijke toetsing is marginaal, maar noodzakelijk om belangen van het kind en pleegouders af te wegen.
De Hoge Raad wijst tevens op de wetsgeschiedenis en parlementaire overwegingen die aangeven dat pleegouders een rechtsbescherming toekomt tegen terugplaatsing van het kind. De zaak benadrukt het belang van zorgvuldige besluitvorming en rechterlijke controle bij ingrijpende beslissingen over uithuisplaatsing en terugplaatsing van minderjarigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht wordt verworpen; pleegouders zijn ontvankelijk in verzoeken tegen beëindiging van uithuisplaatsing en hebben recht op rechterlijke toetsing.