ECLI:NL:PHR:2000:AA8199

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/112HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 100 Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen niet appellabel kantongerechtvonnis wegens motiveringsklachten

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zijn vordering tot betaling werd afgewezen. De kantonrechter had geoordeeld dat eiser geen bewijs had geleverd dat verweerster hem opdracht had gegeven om haar debiteur in rechte te betrekken en het vonnis te executeren.

Het geschil betrof de vraag of eiser gerechtigd was incassowerkzaamheden te verrichten, waaronder gerechtelijke procedures en executiemaatregelen. De kantonrechter had eiser in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren, maar eiser verscheen niet op het getuigenverhoor. Het vonnis werd gewezen en eiser stelde beroep in cassatie in.

De Hoge Raad overwoog dat het vonnis van de kantonrechter niet appellabel was vanwege de hoogte van de vordering en dat cassatie slechts mogelijk is op de in artikel 100 lid 1 Wet Pro RO genoemde gronden. De door eiser aangevoerde motiveringsklachten vallen hier niet onder en kunnen niet worden beoordeeld zonder de juistheid van de rechtsopvatting te toetsen, wat niet is toegestaan.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser niet-ontvankelijk. Verweerster was niet verschenen in cassatie, waarna verstek tegen haar was verleend.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toegestane cassatiegrond.

Conclusie

Rolnr.: C99/112
mr. Wesseling-van Gent
Zitting: 9 juni 2000
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Feiten en procesverloop
1.1 In deze zaak heeft eiser tot cassatie ([eiser]) verweerster in cassatie ([verweerster]) bij exploit van 2 april 1998 gedagvaard voor de kantonrechter te Den Bosch en gevorderd [verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 1514,20. Daartoe heeft [eiser] gesteld dat hij in opdracht van [verweerster] incassowerkzaamheden heeft verricht, welke werkzaamheden onder meer hebben bestaan in het voeren van een gerechtelijke procedure tegen een debiteur van [verweerster]. Deze procedure heeft geleid tot een verstekvonnis, waarvan de executie echter onmogelijk bleek.
1.2 [Verweerster] heeft de vordering bestreden. Kort gezegd heeft zij daartoe gesteld dat [eiser] slechts opdracht had te trachten de vordering - die circa ƒ 800,-- beliep - buiten rechte te incasseren. Volgens [verweerster] heeft zij [eiser] evenwel nimmer opdracht gegeven de betreffende debiteur ook in rechte te betrekken en executiemaatregelen te treffen.
1.3 Naar aanleiding van dit verweer heeft de kantonrechter [eiser] bij tussenvonnis van 10 september 1998 in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat [verweerster] hem opdracht heeft verstrekt haar debiteur in rechte te betrekken en te pogen het te verwerven vonnis te executeren.
1.4 Nadat [eiser] bij akte van 8 oktober 1998 te kennen had gegeven dat hij ter voldoening aan deze bewijsopdracht drie getuigen wenste voor te brengen, heeft de kantonrechter de datum voor het getuigenverhoor vastgesteld op 30 november 1998. Op genoemde datum is evenwel niemand verschenen, waarna de kantonrechter de zaak heeft verwezen naar de rol van 14 januari 1999 voor vonnis.
1.5 Bij brief van 13 januari 1999 heeft de rolgemachtigde van [eiser] de kantonrechter kort gezegd verzocht op 14 januari (nog) geen vonnis te wijzen en [eiser] alsnog in de gelegenheid te stellen de aangezegde getuigen te doen horen. Volgens de rolgemachtigde heeft hij van de griffie nimmer bericht ontvangen dat de datum van het getuigenverhoor was vastgesteld op 30 november 1998. Aangezien ook [verweerster] op die datum niet ter zitting is verschenen, is aannemelijk dat eventuele berichten van de griffie geen van partijen hebben bereikt, aldus de rolwaarnemer.
1.6 De kantonrechter heeft dit verzoek bij brief van 14 januari 1999 afgewezen op de grond - zakelijk weergegeven - dat beide partijen bij brief van 21 oktober 1998 door de griffie van de datum van het getuigenverhoor in kennis zijn gesteld en dat deze brieven niet (kennelijk:) als onbestelbaar zijn teruggekomen.
In zijn op dezelfde dag gewezen eindvonnis heeft de kantonrechter de vordering van [eiser] vervolgens afgewezen op grond van de overweging dat [eiser] geen enkel bewijs heeft bijgebracht van zijn stelling dat [verweerster] hem opdracht heeft verstrekt haar debiteur in rechte te betrekken en pogingen te ondernemen het te verkrijgen vonnis tenuitvoer te leggen.
1.7 [Eiser] heeft tegen het eindvonnis van de kantonrechter tijdig1 beroep in cassatie ingesteld. In de cassatiedagvaarding worden twee middelen van cassatie voorgesteld. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen, waarna tegen haar verstek is verleend. [Eiser] heeft de middelen niet nader toegelicht.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 Het gaat hier om een kantongerechtvonnis dat, gezien de hoogte van de vordering waarover de kantonrechter diende te oordelen, niet appellabel was en dus in hoogste ressort is gewezen2.
Tegen een dergelijk vonnis is slechts beroep in cassatie toegelaten op één van de in art. 100 lid 1 RO Pro genoemde gronden, te weten: het niet in het openbaar gedaan zijn van de uitspraak, onbevoegdheid van de kantonrechter, overschrijding van diens rechtmacht en het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis rust. Onder laatstgenoemde grond, die in de praktijk de belangrijkste is, dient niet slechts het ontbreken van iedere motivering, maar ook motiveringsgebreken te worden verstaan3. Daarbij geldt dat de Hoge Raad aan kantongerecht--vonnissen dezelfde motiveringseisen stelt als aan andere rechterlijke uitspra-ken4.
2.2 Beroep in cassatie tegen een niet appellabel vonnis van de kantonrechter wegens schending van het recht is aldus uitgesloten. Dit brengt overigens mee dat het ook niet mogelijk is om onder de vlag van een motiveringsklacht klachten over rechtsschending aan te voeren5. Evenmin staat de Hoge Raad toe een dergelijk vonnis aan te vallen met motiveringsklachten die niet kunnen worden beoordeeld zonder daarin mede te betrekken de juistheid van de rechtsopvatting waarvan de kantonrechter is uitgegaan6.
2.3 Het voorgaande betekent dat bij de bespreking van de middelen eerst onder ogen moet
worden gezien of deze één van de hiervoor in 2.1 genoemde gronden bevatten. Dit is niet het geval, nu in beide middelen slechts met zoveel woorden wordt geklaagd over “strijd met het Nederlandse recht” en “schending van het Nederlandse recht”, daarin bestaande dat [eiser] ten onrechte de mogelijkheid is onthouden het door hem aangeboden getuigenbewijs te leveren7. De middelen vallen derhalve niet onder één der gronden welke zijn vermeld in artikel 100 eerste Pro lid Wet RO.
3. Conclusie
Deze strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 30 maart 1999.
2 De appelgrens bedraagt in deze zaak ƒ 2.500,--, nu de inleidende dagvaarding is uitgebracht op 2 april 1998.
3 HR 17 december 1976, NJ 1977, 465.
4 Zie bijvoorbeeld: HR 30 januari 1981, NJ 1981, 206; HR 23 oktober 1981, NJ 1982, 146; HR 21 november 1986, NJ 1987, 232; HR 6 februari 1987, NJ 1987, 485; HR 11 januari 1991, NJ 1991, 595 en HR 21 januari 2000, NJ 2000, 255; zie voorts: Veegens/Korthals Altes/Groen, 1989, blz. 239;
5 HR 15 april 1977, NJ 1977, 466 en HR 29 juni 1979, NJ 1979, 524.
6 HR 25 januari 1985, NJ 1985, 424; HR 11 december 1987, NJ 1988, 338. Zie hierover ook Vranken in zijn noot onder HR 11 januari 1991, NJ 1991, 595.
7 Zie ook HR 31 januari 1986, NJ 1986, 363.