ECLI:NL:PHR:2000:AA8252

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/039
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1039 BWArt. 4:1043 BWArt. 4:1013 BWArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over rechtsgevolgen legaat appartement in nalatenschap

In deze zaak staat centraal of eiser aanspraak kan maken op een appartement en de resterende verkoopopbrengst daarvan uit de nalatenschap van zijn tante. Het hof had geoordeeld dat de grieven van eiser falen en dat hij geen recht kan doen gelden op het appartement of de opbrengst.

Eiser stelde vijf klachten in cassatie, waaronder dat het hof een grief buiten beschouwing had gelaten en dat het hof onvoldoende onderzoek had gedaan naar de rechtsgevolgen van het legaat. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de grieven wel degelijk gezamenlijk heeft behandeld en dat het onderzoek naar de rechtsgevolgen van het legaat voldoende is verricht.

Verder wijst de Hoge Raad het betoog af dat het hof had moeten overwegen dat de verkoop door de bewindvoerder niet gelijkgesteld kan worden met verkoop door de tante, en dat art. 4:1039 BW Pro de uitleg van het hof zou moeten beïnvloeden. De Hoge Raad bevestigt dat art. 4:1043 BW Pro als specialis voorrang heeft.

Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat het hof de stellingen van eiser in de nalatenschap van de moeder wel degelijk heeft betrokken en dat er geen motiveringsgebreken zijn. Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van art. 101a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Conclusie

Rolnr. C99/039HR
Mr Strikwerda
Zt. 16 juni 2000
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerster 2]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het door eiser tot cassatie, hierna: [eiser], tijdig ingestelde cassatieberoep berust, als ik het goed zie, op vijf klachten.
2. De eerste vier klachten hebben betrekking op de beslissing van het Hof in de zaak betreffende de nalatenschap van de tante van partijen (de zaak met Rechtbankrolnummer 95-2521).
3. De eerste klacht (cassatiedagvaarding blz. 2) houdt in dat het Hof grief 2 buiten beschouwing heeft gelaten en hierover geen oordeel heeft gegeven.
4. Het Hof heeft geoordeeld dat de twee grieven die zijn aangevoerd in de zaak betreffende de nalatenschap van de tante van partijen beide de vraag aan de orde stellen of [eiser] enig recht kan doen gelden op het appartement aan de [a-straat 1] te [woonplaats B], dan wel op de resterende verkoopopbrengst daarvan, en heeft daarom de grieven gezamenlijk behandeld (r.o. 5.1). Het Hof heeft vervolgens de bedoelde vraag onderzocht (r.o. 5.3 t/m r.o. 5.10) en is tot de slotsom gekomen dat de grieven falen (r.o. 5.11). Het Hof heeft de tweede grief dus niet buiten beschouwing gelaten, zodat de klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
5. De tweede klacht (cassatiedagvaarding blz. 3/4) houdt in dat het Hof ten aanzien van het legaat van het appartement aan de [a-straat 1] te [woonplaats B] heeft nagelaten "een uitgebreid onderzoek te entameren en heeft nagelaten eiser tot cassatie ter informatieverstrekking te horen, nader toe te lichten en op de merites te beoordelen".
6. Voor zover de klacht strekt ten betoge dat het Hof geen onderzoek heeft ingesteld naar de vraag welke rechtsgevolgen verbonden dienen te worden aan het bedoelde legaat, mist zij feitelijke grondslag. Het Hof heeft die vraag onderzocht in r.o. 5.2 t/m 5.10 van zijn arrest.
7. Indien de klacht zo moet worden gelezen, dat zij ertoe strekt dat het Hof een comparitie van partijen voor het geven van inlichtingen had moeten gelasten, kan zij evenmin doel treffen. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over het niet gelasten van een inlichtingencomparitie, omdat de feitenrechter daarin vrij is.
8. De derde klacht (cassatiedagvaarding blz. 4/5) keert zich, als ik het goed zie, tegen de verwerping door het Hof van de door [eiser] aangevoerde grief tegen het vonnis van de Rechtbank, voor zover [eiser] daarbij is veroordeeld medewerking te verlenen aan de levering door de erfgenamen aan de legatarissen van het pand te [woonplaats C], het aandeel in het stuk grond te [gebied D] en de vordering van de tante op [eiser].
9. [Eiser] heeft tegen de bedoelde beslissing van de Rechtbank grief 2 aangevoerd. Deze grief berust naar 's Hofs oordeel op dezelfde grondslag als grief 1, te weten de onjuistheid van het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de rechtsgevolgen van het legaat van het appartement aan de [a-straat 1] te [woonplaats B]. Dat de grief tevens zou steunen op de thans in cassatie genoemde stellingen heeft het Hof niet vastgesteld. Dit oordeel van het Hof berust op zijn uitleg van de memorie van grieven en kan, als feitelijk oordeel, in cassatie op zijn juistheid niet worden getoetst. Het oordeel van het Hof is, gezien de toelichting op grief 2, ook niet onbegrijpelijk. Dit betekent dat de klacht zelfstandige betekenis mist naast de hierna te bespreken klacht, die zich richt tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de gemeenschappelijk grondslag van grief 1 en 2.
10. De vierde klacht (cassatiedagvaarding blz. 5) is gericht tegen r.o. 5.8 van 's Hofs arrest, waar het Hof heeft overwogen dat art. 4:1043 BW Pro in het bijzonder in samenhang met art. 4:1013 BW Pro geen ruimte laat voor de door [eiser] bepleite uitleg, dat de verkoop en levering door de bewindvoerder niet gelijk gesteld kan worden met verkoop en levering door de tante en dat er dus niet van kan worden uitgegaan dat de tante het legaat heeft willen herroepen. Volgens de klacht heeft het Hof ten onrechte geen aandacht geschonken aan art. 4:1039 BW Pro.
11. De klacht faalt. Art. 4:1039 BW Pro bepaalt dat een uiterste wil, noch in zijn geheel noch ten dele, herroepen kan worden dan bij latere uiterste wilsbeschikking of bij een bijzondere notariële akte, waarbij de erflater de gehele of gedeeltelijke intrekking van zijn vroegere uiterste wil te kennen geeft. Al aangenomen dat uit art. 4:1043 BW Pro volgt dat vervreemding van het gelegateerde goed moet worden beschouwd als een herroeping van het legaat en niet als verval van het legaat (vgl. Asser-Van der Ploeg-Perrick, 1996, nr. 285; Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht, 10e dr. 1989, blz. 207/208), sluit art. 4:1043 BW Pro als specialis de toepasselijkheid van art. 4:1039 BW Pro uit. De bepaling van art. 4:1043 BW Pro zou immers haar zin verliezen als daarnaast ook nog voldaan zou moeten zijn aan het door art. 4:1039 BW Pro aan herroeping gestelde vereiste. Het bepaalde in art. 4:1039 BW Pro kan aan het oordeel van het Hof dus niet afdoen.
12. De vijfde klacht (cassatiedagvaarding blz. 5/6) heeft betrekking op de beslissing van het Hof in de zaak betreffende de nalatenschap van de moeder van partijen (de zaak met Rechtbankrolnummer 96-1552) en houdt in dat het Hof heeft nagelaten een aantal, nader in de cassatiedagvaarding omschreven stellingen van [eiser] in zijn oordeel te betrekken, "zodat meerdere motiveringsgebreken aan het arrest kleven".
13. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit r.o. 6.2 van het bestreden arrest blijkt dat het Hof de door de klacht bedoelde stellingen in zijn oordeel heeft betrokken.
Aangezien naar mijn oordeel de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,