ECLI:NL:PHR:2000:AA8252
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel hof over rechtsgevolgen legaat appartement in nalatenschap
In deze zaak staat centraal of eiser aanspraak kan maken op een appartement en de resterende verkoopopbrengst daarvan uit de nalatenschap van zijn tante. Het hof had geoordeeld dat de grieven van eiser falen en dat hij geen recht kan doen gelden op het appartement of de opbrengst.
Eiser stelde vijf klachten in cassatie, waaronder dat het hof een grief buiten beschouwing had gelaten en dat het hof onvoldoende onderzoek had gedaan naar de rechtsgevolgen van het legaat. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de grieven wel degelijk gezamenlijk heeft behandeld en dat het onderzoek naar de rechtsgevolgen van het legaat voldoende is verricht.
Verder wijst de Hoge Raad het betoog af dat het hof had moeten overwegen dat de verkoop door de bewindvoerder niet gelijkgesteld kan worden met verkoop door de tante, en dat art. 4:1039 BW Pro de uitleg van het hof zou moeten beïnvloeden. De Hoge Raad bevestigt dat art. 4:1043 BW Pro als specialis voorrang heeft.
Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat het hof de stellingen van eiser in de nalatenschap van de moeder wel degelijk heeft betrokken en dat er geen motiveringsgebreken zijn. Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van art. 101a RO.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.